De film, deel 2

Om de haverklap is het weer zover. Een nieuwe film is uit. De bioscopen hebben het er maar druk mee. Dan BREIN. Met budgetten die immer de pan uitrijzen is het moeilijk overtuigen dat de filmindustrie het zo zwaar heeft. Een budget van tweehonderdvijftig miljoen dollar voor een slappe actiefilm, en beweren dat piraterij de filmindustrie om zeep helpt. Dan ben je een regelrechte leugenaar, of niet goed bij je hoofd.

Waar de filmindustrie op lijkt te bezuinigen zijn scriptschrijvers. Die moeten al knokken om hun centen, getuige de protesten een tijdje terug, maar ze zijn er niet op vooruit gegaan. Het ene vervolg na het andere wordt uitgebracht. Deel twee èn deel drie inderdaad; ik weet wat ik schrijf.

Die vervolgdelen zijn doorgaans een slappe herkauw van het eerste deel. Daar de fantastische Spinnenman (vroegâh werd alles vertaald) in deel één de vijand verslaat èn een wijze levensles leert hoop je dat een vervolg uitblijft. Het verhaal is af, met een mooi staartje om zelf over door te fantaseren. Maar neen; in deel twee komt een nieuwe slechterik kijken en ontdekt Peter Parker nog maar eens een keertje een brave maar slaperige kijk op de wereld. Een bekende variant hier op is “trauma verwerken”. Op magische wijze krijgt de zelfmoord van die-of-die “een plekje”, puur en alleen omdat Boris Boef achter de tralies zit. Zelfs de Vleermuisman ontsnapt hier niet aan. Het gaat er in Gotham City alleen wat bombastischer aan toe.

Dat men zulke vervolgen uitbrengt is niet vreemd. Er kunnen bakken met geld mee verdiend worden en niemand zou zoiets afslaan. Ook The Matrix was hier een slachtoffer van. Deel twee en deel drie kwamen tot een onvermijdelijk einde; de lat om te ontsnappen uit de “matrix” werd in deel 1 te hoog gelegd. Een geïmproviseerde supervijand en dito “vrede” konden niet voorkomen dat ik een beetje treurig uit de bioscoop stapte.

Toch hoopte ik op verbetering. Immers, het is een keer “op” toch? Marvel pakt het al slimmer aan door een soort canon te schrijven over de superhelden van Stan Lee. Losstaand, maar toch verbonden. Ik durf het niet te Googlen, maar zolang ik niet weet dat The Avengers 2 er aan komt ben ik hoopvol over deze onderneming.

Dat hoopvolle is er verder wel een beetje vanaf. Ik hoef maar één filmtitel te noemen: Titanic. Kijk, een remake is één ding. Een nieuwe kijk op een goede film kan helemaal geen kwaad; ik heb me best vermaakt met Ocean’s 11 (de remake). Hoewel de nieuwe “The Italian Job” qua beeld een dertien-in-een-dozijn rolprent was, ging het verhaal verder dan de gebruikelijke “pief paf poef”.

Maar dan Titanic! Schaamteloos dezelfde film. Om ons af te leiden van het feit dat we (a) al weten hoe het afloopt en (b) dat we nog een keer grof geld neerleggen voor exact dezelfde beelden, zien we regisseurs, producers en recencisten elkaar om het hardste nakwijlen over de 3D effecten waarmee de film is opgepoetst. Zelfs astronoom Neil deGrasse Tyson liet zich voor het PR karretje van regisseur James Cameron spannen. Eindeloos vertelde hij over de verkeerde sterrenlucht in het platte origineel, terwijl Cameron met dezelfde anekdote nog eens bewees wat een pietje precies hij wel niet is. Dat is hij ook; hij weet dondersgoed hoeveel geld deze herhaling hem op gaat leveren.

Ook Disney bracht dezelfde koddige leeuw nu eens in drie dimensies terug op het witte doek. Ondertussen is er niemand die durft te zeggen dat alleen onze kindernostalgie de film populair houdt. Slimme PR van Disney, dat dan weer wel.

Eigenlijk vind ik dat hier een ontzettend dieptepunt is bereikt. Bioscopen hebben het moeilijk. Goh, zou het? Ze zijn het slachtoffer van een industrie die nu letterlijk niet meer in staat is om een nieuw verhaal te verzinnen. Binnenkort komt vast de 3D versie van Bridget Jones’s Diary op het grote scherm.

Nieuw is het allemaal niet. George Lucas gaf zijn oude Star Wars films een digitale optater (met Hayden Christensen als grijnzende pedofiel in nummer zes) en Spielberg had het lef om E.T. net zolang onder een puriteins filter te leggen tot zelfs de pistolen in walkie-talkies veranderden.

Ondanks alles hoop ik toch dat de heren in Hollywood ooit tot inkeer komen en beginnen met het maken van goede, originele en éénmalige films. Ik ben geduldig: er worden nog veel films gemaakt die wèl de moeite waard zijn. Ga maar eens in het filmhuis kijken.

Ik hoop dat ze het laten om dáár remakes van te maken. Ik zie het al voor me: “Intouchables”, met Al Pacino, Will Smith en een feel-good einde dat de hoofdrolspeler toch weer kan lopen. Ieks!

Het weer

Er is een boel non-nieuws op de radio. Een paar weken geleden nog (tijdens de nu mislukte Catshuisoverleggen) ging het twintig minuten lang over de fiets van Rutte. Twintig minuten! Wat was er namelijk gebeurd? Een bode had het ding buiten gezet: Rutte gaat weg! Er gebeurt iets! Paniek!

Na veel heen en terug met de studio in Hilversum bleek dat Rutte nooit ter plekke was. Hij geeft donderdag les op een ROC en stond met een krijtje in zijn hand uit te leggen hoe makkelijk journalisten voor het lapje te houden zijn. Waarvan akte.

Wat me irriteert is nieuws over het weer. Niet het weer zelf. Dat is wel handig. Maar het nieuws er over, ongelofelijk. Het kan vriezen of dooien, simpel toch? Neen: wat er ook aan de hand is, het “weerbeeld” is raar voor de tijd van het jaar.

In de lente is het te warm. Of te koud. In de winter idem dito. Zomers zijn te nat of te droog, en de herfst heeft ook wel wat te piepen. Af en toe neemt dat extreme vormen aan. Dat heet dan Elfstedenkoorts, en is óók nieuws!

Per definitie is de natuur bij dergelijk nieuws “in de war”. Vogels leggen hun eieren niet meer in mei, krokussen komen verbaasd op terwijl de kerstverlichting nog hangt, dat soort dingen. Elke keer is het weer nieuws. Groot nieuws zelfs. Zelfs de NOS opent hun radiojournaal er mee, en dat verwacht je niet van zo’n instituut.

Je zou denken dat de natuur er inmiddels wel aan gewend is dat de ene winter wat warmer is dan de andere, of dat het weleens véél regent in de lente. Bovendien hoop je ook dat wij, de Mensch, nu wel weten dat het weer moeilijk te voorspellen is. Maar dat is niet zo. Elke drie maanden staan de kranten er weer bol van. Warme zomer! Extra koude winter! Spannend! En dan de natuur, die arme natuur! Snel overschakelen naar twee verbaasde duiven die beteuterd naar hun nestje eieren kijken. Premature ejaculatie in het dierenrijk. Daar kan Midas Dekkers vast nog wel een leuke column over schrijven.

Om het interessant te houden moeten we eigenlijk terug naar de human interest. Trek een mooi meisje een kek zomerjurkje aan, en zet haar op een schaatsbaan. Vertel me dan dat het deze winter wel erg warm is, “gemiddeld”. Daar zou ik naar kijken. Want vroegbloeiende narcissen, die heb ik ondertussen wel gezien.

Internetdaten

Wat een feest is dàt! Een vriendin van de uni had zich opgegeven voor zo’n site; ik als nieuwsgierig aagje ging natuurlijk ook even kijken of ik haar profiel kon vinden.

Nou is de wereld van het internetdaten me niet helemaal vreemd. Ooit zat ik op paiq, opgezet door een ondernemende via-via vriend, om te kijken hoe het allemaal werkte. Met de twintig leden die de website destijds had werd ik binnen de kortste keren gekoppeld aan mijn ex-vriendin. Pas daarna aan mijn toenmalige vriendin. Auw.

OkCupid heeft een fantastisch weblog, en een even zo leuke dating site. Ze “matchen” hun leden aan de hand van vragen: die gaan van vervelend (welk Griekse woord is verkeerd gespeld?) tot flauw (Wat is groter: de aarde of de zon?). Leuker is het dat je kan aangeven wat jouw potentiële date zou moeten invullen: de aarde of de zon?

Hard gelachen heb ik om mooiemensen.com. Wie weet kan ik daar een mede-narcist scoren. Kunnen we elkaar samen romantisch bewonderen in de spiegel. Of nou ja.. Ik kreeg het niet heel warm van de voorbeeldfoto’s.

Daar hield mijn kennis over datingsites wel op. Ik heb nooit heel serieus geinternetdate. Ooit had ik een Relatieplanet profiel maar dat was vooral om rond te neuzen: via via kwam ik op een site (voor internetdaters) waar de leden onderling de meest hilarische profielen uitwisselden. Jongens en meiden die bloedserieus opschreven “dat ze van hobbies hielden”.

Voor de site waar zij op zat was het echter verplicht om alles in te vullen, foto’s te uploaden en wat al niet meer. Je profiel, je voorkeuren (geen vakje voor “blond met grote memmen” maar geen website is perfect), en een fijn stukje proza om jezelf te beschrijven.

Foto’s had ik zo te pakken. Een verhaaltje was lastiger. Ik werkte ooit in een winkel waar ze ook “online datingadvies”-boekjes verkochten: tips en trucs voor de online single. Via Google kreeg ik de meeste tips ook wel te pakken en toen ging ik aan’t schrijven. Minstens 50 tekens. Leek me niet zo lastig.

Enfin, een dag later had ik iets redelijks op papier staan. Het is nog best moeilijk ook. Vooral omdat ik het (en dat is wel een beetje gemeen van me) niet zo serieus nam: ik had vier variaties op “Jonge god zoekt gelijkgestemd meisje om samen eens lekker niet zo moeilijk te doen”. Maar dáár score je vast geen dates mee. De zin was wel 50 tekens lang.

Toen moest ik nog op zoek naar die vriendin. Zo nauwkeurig mogelijk mijn voorkeuren matchen aan haar profiel, zodat ze gelijk op pagina 1 zou staan. Niet makkelijk: zou ze zich omschrijven als “normaal”? “Slank”? “Volslank”? “Wat extra pondjes”? Allemaal dan maar. En omdat ze ver weg woont moest ik ook nog “in een regio van 400 kilometer rondom Arnhem” aangeven. Eindresultaat: 8502 matches verdeeld over 355 pagina’s.

Toch maar even bellen. Vragen wat ze nou had ingevuld. Aan de hand daarvan had ik mijn lijst matches teruggekregen naar vijf pagina’s. Honderdtwintig meisjes van 24 met een leuk koppie, bruin haar, (nog) geen kinderwens, sportief en wat al niet meer. Ik kwam haar halverwege pagina 2 tegen. Leuk! Gauw een WhatsAppberichtje er achteraan om haar succes te wensen; ze had een best een leuk verhaaltje en mooie foto’s (en ik kan het weten, want het waren foto’s die ik gemaakt heb).

Eigenlijk was ik van plan om mijn profiel daarna weer weg te donderen. Maarja.. Ik heb nog steeds een pagina voor mijn neus met 119 andere matches. Daar moet ik toch wel wat mee doen? Anders is het ook zonde..

Geen gas

Een aparte vraag voor de heren en dames van Greenchoice. “Ik wil geen gasmeter meer“. Verbaasd verwijst het telefoonmeisje me door naar de NUON. Die gooien de vraag weer op bij Liander, die op hun beurt verwijzen naar een obscure website. Het formuliertje op die website wordt opgestuurt naar (jawel) Liander. Ach ja. Als het maar gebeurt.

Ondanks het gestuur (van het kastje naar de muur) is het me gelukt om een aanvraag in te dienen. Als het goed is komt Liander een dezer dagen mijn gasmeter slopen. Ik had het ook zelf kunnen doen, maar dat schijnt gevaarlijk te zijn. Iets met ontploffingen ofzo.

Waarom dan geen gas, Sander? Nou, ik kreeg vandaag mijn (gecorrigeerde) jaarafrekening. Omdat mijn warme en koude water via de woningstichting gaan, gebruik ik mijn gasaansluiting alleen om op te koken. Dat kostte me de afgelopen twee jaar (en drie maanden) maar liefst € 5,66. Wat een bedrag! € 5,66! Daar haal je nog geen twéé speciaalbiertjes van. Daar blijkt wel uit hoeveel er in dit huis gekookt wordt: ik ben geen keukenprins maar een afhaalkoning.

De reden dat het kreng weg moet is simpel. Alleen die lage gaskosten zijn de moeite niet. Het is echter zo dat ik voor die zes euro gas € 317,29 aan vastrecht en transportkosten moet lappen. Daar kan je een paar hele mooie gadgets van kopen. Een paar tientjes er bij en je hebt al een Galaxy Tab.

Kortom: een slechtere deal kan je zowat niet krijgen. Het ding moet weg. Vandaag of morgen ga ik langs de campingwinkel voor zo’n mooie blauwe tank gas. Die kosten ongeveer tachtig euro en gaat met mijn kookkunsten zowat een jaar mee.

Je staat er van te kijken waar je allemaal op kan bezuinigen.

Hoe sta jij op Google?

Ok ok, ik geef het toe: ik Google mezelf regelmatig om te kijken hoe ik er uit kom. Welke websites naar me linken; wie het over mij heeft, en wat er allemaal over mij te vinden valt. Ik heb er zelfs een Alert voor ingesteld. Maar een betere vraag is misschien: wil je wel op Google staan?

Sollicitanten weten er alles al van. Zodra je ergens een CV inlevert gaat je naam door de Googlemachine. Kijken wat er terug komt. Een Facebookprofiel misschien? De foto’s van die keer dat je op vakantie bloot van het balkon afsprong? Een pittige (en controversiële) politieke mening? Beter zorg je er voor dat die zaken niet zichtbaar zijn.

Zelf heb ik een behoorlijk unieke naam. Kortom: als je een andere Sander met mijn achternaam tegenkomt, ben ik het. Gauwain heeft helemaal ‘pech’: zoeken op zijn voornaam is al genoeg. Anderen hebben meer geluk en heten Jan Jansen of Frits Rutte. Dan verdrink je in de resultaten van anderen.

Maar ja, wil je wel op Google staan? Liever niet natuurlijk. Tenzij je in de computer/internet bizniz rondhangt. Dan moet je wel. Zonder LinkedIn, Facebook en Google+ profiel hoor je er anders echt niet bij.

Als je dan toch in de zoekresultaten rondhangt, zorg er dan in ieder geval voor dat het positief is. Noem het maar “damage control“. Er zijn al Amerikaanse websites die negatieve verhalen rondstrooien (op zoveel mogelijk namen) die ze tegen betaling weghalen. Een slimme jongen betaalt dat niet, maar zorgt dat zijn eigen website er bovenuit steekt. Het lijkt een beetje op “What happens in Vegas, stays in Vegas“. Hoewel het internet een stuk vergevingsgezinder is dan vroeger (onder andere dankzij wetgeving) is het nog steeds lastig om negatieve berichtjes weg te krijgen. Laat staan foto’s, dat is helemaal irritant dankzij internet caches en dat soort dingen.

Kijk maar eens wat er gebeurt als je jezelf in Google gooit. Open wel een anoniem / privé browserscherm. Dan zijn de resultaten namelijk het meest neutraal. En dan maar bladeren. Elke pagina bekijken om te zien waar je staat, waarom je er staat, en of je er wel blij mee bent. Ben je er niet blij mee? Kijk dan eens waar het op staat. Een krant? Zomaar een site? Geen idee? Over het algemeen valt er wel tegenop te boksen. Neem eens contact op met de sitebeheerder. Kijken wat hij kan doen. Anders kijk je of je het weg kan drukken door je eigen site flink te spammen.

Ik kwam mezelf al tegen via Facebook*, een site waar je kan stemmen of ik een jerk ben (typisch zo’n Amerikaanse geld aftroggelaar), LinkedIn, de krant, en nog veel meer. Gelukkig is het allemaal behoorlijk positief (of in ieder geval niet negatief). De resultaten waarvan ik zoiets had van “nou, dat hoeft van mij niet online” zijn inmiddels verdwenen. Om het plaatje compleet te maken heb ik een kleine website in elkaar gedraaid die als het goed is op de eerste pagina staat. Geduld is wel nodig: Google pakt niet alle updates elke dag mee.

Mensen die er geld voor over hebben om goed in Google te staan zouden naar Google Adwords moeten gaan. Daar kan je advertenties kopen die bij bepaalde zoektermen komen te staan. Als je vervolgens advertenties koopt bij jouw voornaam/achternaam sta je sowieso op de eerste plek in Google!

Is dat baas of niet?

* Reageren op openbare berichten maakt jouw reactie ook openbaar, ongeacht jouw persoonlijke instellingen.

Gebakken lucht

Heel Nederland stond weer op zijn kop. “Bangalijsten”, wat was de hype nu weer? Iets met seks? Whatever. De NOS was vlug genoeg om gauw nog even “sociale media” mee te nemen in hun nieuwsberichtje, en dat is veel belangrijker.

Terwijl de rest van Nederland met de gedachten alweer bij het filenieuws was, bleven de meeste (conservatieve) clubjes nog even doorzaniken over dit “nieuwe oude” fenomeen. Mannen die vrouwen keuren, dat lijkt me niks nieuws toch? Ik weet nog wel waar ik over dagdroomde op de middelbare school. Hint: niet de lesstof.

De kritiek op die organisaties, die een soort jaren ’50 beeld hebben van meisjes (onschuldige popjes die maagd blijven tot het huwelijk) en jongens (seksbeluste hormoonbommen) wil ik nu even overslaan. Daar valt genoeg over te lezen als je handig kan Googlen. Bovendien zijn er rellen over het meisje dat zelfmoord gepleegd schijnt te hebben naar aanleiding van zo’n lijst. Allemaal niet zo fijn. Daarom gaat het vandaag over “zoosjal miedieja”.

Sociale media zijn zo’n heerlijk onderwerp waar bijna heel Nederland geen donder van snapt. Moeders gaan aarzelend Facebook’en, sommige ooms en tantes hangen nog op Hyves rond en politici laten hun materiedeskundigen kekke opmerkingen Twitteren. Zelfs Wilders laat zich zijn uitspraken door een duur PR-bureau influisteren. Of dacht je echt dat hij zelf zo vlot was elke keer? Kortom, iedereen is er mee bezig!

Ik ga echt niet uitleggen wat het allemaal is. Zoek een handig neefje en laat je je een Facebook-account aanpraten. Bedenk je wel: wat je ook online zet, het staat er voor eeuwig.

Wat het vooral niet is, daar wil ik het eens over hebben. Want het wordt nogal een hype allemaal, en dat is nergens voor nodig. Laten we eens wat minder zwaar aan social media tillen.

Facebook: behalve iedereen toevoegen die je kent, is het ook handig om in contact te komen met klasgenoten van vroeger, oud-collega’s en verre vrienden. Mwoah. Beter kan je je afvragen of al die mensen wel zo interessant zijn. Zat jij ook in het bankje achter het mooiste meisje van de klas? Inmiddels weegt ze 800 kilo en heeft ze 7 kinderen. De wildebras die met gym alles durfde zit nu veilig ergens in het middenmanagement. De ontluikende hippie (die je stiekem bewonderde om haar felle mening over de bioindustrie) woont nu in een communie en ruikt een beetje naar maïszeep. Wel fijn: je oude pestkop is assistentmanager bij de Konmar.

Vroeger kwam je daar op een tienjaarlijkse reünie achter, en kon je thuis veilig bijkomen onder het genot van een fles wijn. Met een sociaal netwerk zoals Facebook word je 24/7 met ze geconfronteerd.

Dan maar de jeugd toevoegen als “vriend”. Neefjes en nichtjes enzo. Geen goed plan! Mensen onder de zestien posten doorgaans alles op Facebook. Alles. Incrowd grapjes voor klasgenoten, slecht geschoten telefoonfoto’s (extra slecht dankzij een “mooi” Instagram kleurenfilter), en elk spelletje dat ze ooit gespeeld hebben stuurt je digitale koeien voor je virtuele boerderij. Je liket je een ongeluk.

Twitter dan maar? Dat is helemaal drama. Bijna niemand is het volgen waard. Ik weet in ieder geval dat mijn tweets zelden spannend zijn. Websites moet je sowieso niet volgen. Die posten elk nieuwsberichtje op twitter, als een soort veredelde dorpsomroeper. Voor jezelf is het het leukst als je Twitter ook zo gebruikt: gewoon af en toe eens de wereld ingooien wat je allemaal doet. Hou het wel leuk, en lekker licht.

Maar zelfs als mensen jouw updates gaan “volgen” op Twitter ben je er nog niet. Twitter is voornamelijk eigengeilerij. Mensen die jou gaan volgen, moet je wel terugvolgen. Het is net als met Kerstkaarten. Zo vroeg mogelijk in het jaar (liefst begin november) krijg je een Kerstkaartje van tante Bertha. Stuur je er géén terug, krijg je het jaar daarop niets. Als iemand jou volgt, moet je hem of haar natuurlijk wel terugvolgen. Anders is het niet eerlijk. Ofzo.

Toen ik vroeger klein was, ging ik met mijn ouders vaak naar de dierentuin. Burgers Zoo, hier in Arnhem. De apenrots was mijn favoriete plek na de tijgers. Ik vond het bijvoorbeeld ontzettend leuk om te zien dat die beesten in hun blote (!) billen rondliepen. Blote! Billen! Daar ben ik nooit vanaf gekomen; ik heb nog steeds een voorliefde voor blote billen.

Hoe dan ook, het allerleukste was het toch wel als één van die apen begon te schreeuwen. Welhaast zonder pauze begon de rest ook. Nog voor mijn vader me had opgetild (ik kon niet over het muurtje kijken) zat de hele rots zo hard mogelijk te krijsen en te springen.

Op Twitter heet dat “retweeten”.

Hyves is uit. De welhaast onzichtbare maar onvermijdelijke exodus naar Facebook was een zichzelf versterkend effect. Iedereen zit daar! Kortom, geen tijd in steken, tenzij je aan 12 jarigen en trage oma’s marketeert. Hyves is dus vooral een heleboel niet. Als echte nerd kan ik je tevens vertellen: er voor programmeren is óók een drama.

Nieuw is Google+. Het zit briljant in elkaar, maar het vereist denkwerk, en dat schrikt af. Iedereen zit ook nog eens op Facebook, en daar is het allemaal “opt-in”. Upload je leven en wij suggereren met wie je allemaal bevriend zou moeten zijn. Google+ zit een stuk lastiger in elkaar. Kan je ineens niet iedereen lastig vallen met je updates, moet je verdorie aangeven wie ze mag zien. En dan is het nog maar de vraag of ze het ook daadwerkelijk lezen, want ze kunnen jou ergens in een hoekje wegzetten en daar merk je niks van.

Google+ is voor mensen die meer luisteren dan praten. Niks voor mij dus.

Al die social media; uiteindelijk schiet je er niet veel mee op. Als bedrijf heb je precies één seconde omTE LAAT! om de aandacht van je volgers te trekken. Want met 400 anderen dringen om een plekje op het prikbord van jouw volgers, is dat wel efficiënt?

Het is niet zo gek dat steeds meer mensen er mee kappen. Als je wil weten hoe het met ze gaat, dan bel je ze maar gewoon. Desnoods een e-mailtje. Ook bedrijven zijn steeds meer “social media moe”. Liever bouwen ze gewoon een fijne website. Eentje die helder in elkaar zit. Zonder tientallen knopjes en dingetjes. Met een telefoonnummer, en een e-mailadres. En af en toe schrijft de baas een nieuwsberichtje. Met spelfouten die niemand verbetert.

Binnenkort zie je het op de werkbusjes. Weg met “Like ons op Facebook!”. In de toekomst lees je: “Loodgieterij Van Amstel: Zonder gebakken lucht.”.

Ruimte

Toen ik terug kwam uit Düsseldorf heb ik opgeruimd. Maar dan echt opgeruimd. Acht vuilniszakken vol met ouwe troep in de prullenbak, ouwe boeken weg (tot groot ongenoegen van de boekofielen in mijn omgeving), versleten kleren in de prullenbak, zeven jaar studiemateriaal door de blender: allemaal de deur uit.

Het enige dat ik heb bewaard zijn de dingen die ik daadwerkelijk gebruik. Borden en messen en de computer en meer van die praktische zaken, zoals mijn bed en een leeslampje. Maar zelfs daar kan ik nog wel strenger zijn. Wat moet ik met zeven wijnglazen (ik had er acht, maar ééntje is gesneuveld)? Vier is ook zat, de rest drinkt maar uit koffiemokken. Daar heb ik er ook dertig van ofzo. Of de vijftien handdoeken die in de kast liggen niks te doen. Dat soort dingen.

Cadeautjes bewaar ik ook. Het is nogal lullig om een mooi boek gelijk weg te geven nadat je het uit hebt. Plus, ik lees graag. Kaartjes evenzo, die gooi ik niet weg. Wel heb ik laatst de knuffel (ja echt) die ik voor mijn zeventiende verjaardag kreeg weggedaan. Dat mocht inmiddels wel, dacht ik.

Boeken zijn wel lastig. Ik heb tientallen versleten pockets de deur uit gedaan. Zelfs De Slegte zag me aankomen. “Als je studieboeken hebt, prima. Anders gooi ik ze voor je weg”. Nou, dan rij ik zelf wel naar de stort. Wel heb ik nog een plankje bijzondere boeken staan. Cadeau’s (zie boven), maar ook bijzondere drukken of gewoon fijne boeken. Zo heb ik van Isaac Asimov een hele bijzondere staan. Van huis uit een science fiction schrijver, schreef hij ooit een dikke pil: “Isaac Asimov’s Guide To Shakespeare”. Niet alleen vertaalt hij zowat elk vers uit elk Spakespeare verhaal terug uit het oud-Engels, hij legt ook tussen neus en lippen door uit wat nou precies de grap is. Dat gooi je natuurlijk niet zomaar weg.

Waar ik wel nog mee in mijn maag zit, is oude electronica. Kijk, de batterij van een oude laptop gooi je niet in de prullenbak. Maar is een VGA kabel echt het bewaren waard? Of die UTP kabel met maar één stekkertje er aan? Na kort beraad: neen, allemaal weg. Alleen wat bijzondere kabeltjes (voor het geval dat) liggen nog in de la. Van Firewire naar coax, dat soort gekke dingen.

Wat ik nog aan mooie foto’s had is inmiddels ook tegen de muur geplakt. De rest zit in een mapje. Zeker de originele filmpjes gaan niet zomaar de prullenbak in. Dat lelijke blauwe kastje dat in mijn kamer stond heeft het maar liefst vier uur volgehouden naast de container voor het werd meegenomen door een ondernemende buurman.

Oftewel: “Space is the new furniture“. Ik had al niet veel spullen, maar nu helemaal niet meer. Heerlijk minimalistisch. Mijn kamer is iets van 26 / 30 vierkante meter waarvan het overgrote deel nu loopruimte is. Stofvrij, snel opgeruimd en lekker strak ingedeeld.

Wil je dat ook? Het is niet bijzonder moeilijk. Koop een paar stickervellen met van die kleine oranje plakkertjes. Plak zo’n stickertje op al je spullen. Alles. Kopjes, borden, glazen, boeken, kabeltjes, frutseltjes, wat je ook maar hebt. Trek het stickertje er weer af zodra je het ding daadwerkelijk gebruikt.

Alles dat na [1 maand / 2 maanden / 6 maanden] nog steeds een stickertje heeft gooi je weg.

Een opgeruimde kamer

Internetten voor gevorderden

Op zich maakt het me bijzonder weinig uit hoe mensen het internet gebruiken. Er wordt gedate via internet, recepten uitgewisseld, gechat en gebeld. Je kan het zo gek niet bedenken of er is wel een website voor. De strip xkcd noemt het “regel 34“. Als je het kan bedenken, is er porno van. Het klinkt gek, maar het is zo. Neem het maar van mij aan, ik heb het mogen ervaren.

Wat zo jammer is dat men er niet uit haalt wat er in zit. De meeste mensen blijven een beetje “aan de oppervlakte”. Nieuws lezen en e-mailen, dat is het wel. Maar zeker als je informatie zoekt, is het belangrijk om bijvoorbeeld goed te kunnen Googlen. Als het je veel tijd kost om je mail te lezen of bij te blijven: er zijn verschrikkelijk veel websites en “web applicaties*” om ook jouw internetervaring wat rijker te maken. Daar je toch al een internetverbinding hebt, kost het je alleen maar wat tijd. Geïnspireerd door Gauwains prachtige stukje over social media, geef ik in dit stukje wat voorbeelden om internet wat handiger te maken.

Zoeken
Iedereen kan zoektermen invoeren op Google. Weinig mensen vinden meteen wat ze willen weten. Wil je op vakantie? Gooi dan in hemelsnaam niet “vakantie” in Google. Je hebt toch minstens een idee van waar je heen wilt? Google dan eens “op vakantie naar xx” in Google. Zoek je de handleiding van jouw stofzuiger? Gebruik dan eens niet “handleiding stofzuiger” maar begin gelijk met “Siemens Y91 manual”. Scheelt je dertigduizend algemene onzinpagina’s. Een mooie Engelse handleiding om te Googlen kan je hier lezen. Google heeft zelf ook heel wat tips. Mocht je op zoek zijn naar een bepaald apparaat, gebruik dan Give Me Back My Google om al die stomme reviewsites over te slaan. Verdiep je eens in de kunsten van het Googlen. Je staat er van te kijken wat je naar boven kan krijgen.

Als je wilt oefenen, kijk dan eens op A Google A Day. Het is een bijzondere versie van Google: hij loopt een dag achter. Elke dag krijg je een nieuwe, lastige vraag. Probeer hem maar eens te beantwoorden, door te Googlen.

Mailen
Steeds meer mensen hebben webmail. Een accountje bij GMail of Hotmail is zo gepiept. Ook bieden de meeste providers dergelijke functies aan, om op vakantie ook je mail te kunnen checken. Kortom, overal en altijd toegang. Maar hoe je je mail ook gebruikt: waarom laat je alles in je inbox hangen? Thuis slingert de post toch ook niet rond? De meeste mensen hebben minstens een la waar de gelezen post in verdwijnt. Doe dat online ook eens!

De meeste aanbieders van webmail laten je mailtjes “archiveren“. Ze zijn er nog wel, maar ze staan niet in je inbox. Dat ruimt al op! Maak anders een mapje “Archief”. Donder daar alles in. De volgende keer dat je naar je mail gaat, zie je alleen de nieuwe dingen. Laat je mail staan tot je er mee klaar bent. Dat doe je toch ook met je post? Rekeningen gaan bij mij niet de la in tot ik ze betaald heb. Zo ook, gaan te beantwoorden e-mailtjes niet in het archief tot ik wat heb teruggestuurd.

Een handige truc is het maken van berichtregels, of filters. De meeste webmail aanbieders laten je regels opstellen waarmee je automatisch berichtjes kan filteren. De nieuwsbrieven die ik krijg bijvoorbeeld gaan per definitie in het mapje “Nieuwsbrieven”. Ik wil ze wel lezen hoor, maar niet nu. Hupsakee, uit de weg die rommel. Dat kan je natuurlijk ook doen met mail van vrienden (in het mapje “Vrienden”, wellicht?) of van sociale netwerksites, zoals Facebook. Sorteer, over drie dagen tijd, al je nieuwe mail. Dat kan je vervolgens automatisch laten doen, als je maar uitzoekt hoe.

Wil je opruimen, maar mag je inbox niet meteen helemaal leeg? Sorteer je e-mail dan eens op het afzenderveld. Scroll door je e-mail, en je ziet gelijk “groepen” mail die wel (of niet) het archief in kunnen. Op die manier gooide ik eens 120 mailtjes van Facebook en Flickr weg!

Krijg je heel veel nieuwsbrieven? Het is tegenwoordig min of meer verplicht om de mogelijkheid tot uitschrijven aan te bieden. Gebruik dat! Zie je de optie niet? Maak dan een filter of berichtregel aan. Kost je vijf minuten.

E-mailadressen en telefoonnummers
Dit is gerelateerd aan de e-mail. Mijn moeder heeft zo’n mooi zwart adresboekje. Nieuw adres er in, oud adres er uit. Gewoon doorstrepen. Tabbladen voor het alfabet. Handig! Ik doe dat op mijn telefoon, maar het principe is hetzelfde.

De meeste maildiensten hebben zulke functionaliteit ook. GMail bijvoorbeeld heeft een volwaardig adresboek. Ook Apple computers en Windows komen met programma’s die dat kunnen. Waarom nog zoeken naar het ingewikkelde e-mailadres van die collega? Zet het in je adresboek. Als je vervolgens mail aan Pietje adresseert, vult jouw programma het aan tot het juiste adres.

Bovendien is het mogelijk om al die mensen in te delen in groepen. Maak eens een groepje Familie, Vrienden en Collega’s aan. Deel de mensen die je kent in in die groepen. Dat scheelt veel met zoeken naar adressen, en je kan het direct gebruiken om die groep mensen te mailen. Het eerste begin is wel lastig. Maak maar eens een groep “Ongesorteerd” aan en zet daar iedereen in. Succes! Daar ga je, met 230 mensen. Gelukkig zijn daar hulpmiddelen voor. Gist bijvoorbeeld kan adressen voor je uitzoeken. Google Contacts geeft mooie overzichten van belangrijke en minder belangrijke mensen, en Yahoo! heeft handigheidjes om dubbele mensen uit je digitale adresboek te halen.

Wat is hier nou gevorderd aan? Nou, dit soort digitale adresboeken vervuilen heel erg snel. Ik had ooit drie of vier keer dezelfde collega er in staan. “Hans Kazan”, “H. Kazan”, “familie Kazan”, “Kazan, Hans”, en ga zo maar door. Hou dat bij. Voeg mensen samen. Geef in het adresboek het onderscheid aan tussen werk en privé adressen. Dat kan. Immers, je wilt dezelfde Hans bereiken. Als je nog een stap verder wilt gaan, regel dan een smartphone. Na vijf minuten instellen synchroniseert-ie met je adresboek. Nooit meer zoeken!

Oh, en nog een extra gevorderde tip: maak groepen aan voor mensen die je vaak tegelijkertijd mailt. Bijvoorbeeld “ooms en tantes” of “vrienden die ik op mijn feestje wil”. Als je de naam van de groep begint te typen in het Aan-veld, vult jouw e-mail programma automatisch alle e-mailadressen in.

Up to date blijven
Heb jij dat ook? Tientallen interessante websites in je bookmarks. Eigenlijk wil je ze allemaal wel lezen. Vervolgens zit je de hele dag tussen die sites heen en weer te bladeren. Schiet niet op. Zou het niet fijn zijn als je nieuwe berichtjes op één website bij elkaar zou kunnen zetten? Gelukkig kan dat! Dankzij RSS (hier een uitleg voor dummies), een zogenaamde “synchronisatietechniek” is het mogelijk om de updates van een website bij elkaar te krijgen, zonder dat je er zelf heen hoeft te surfen. Neem eens een kijkje op Google Reader (hier heb je een Google account voor nodig). Daar kan je zelf sites verzamelen en het nieuws van die websites bijhouden. Dit is zeker een tip voor gevorderden, maar de moeite waard. Ik hoef geen twintig nieuwssites meer af te struinen; Google verzamelt het allemaal op één plaats. Tip: zoek op een site naar dit (RSS) icoontje. Het op deze manier “verzamelen” van websites is ontzettend fijn, maar dat icoontje staat zelden op een vaste plaats. Sommige browsers geven zelf aan of een website “RSS” aanbieden, bij anderen zul je moeten zoeken.

Als je Firefox hebt: je kan zogenaamde “Live Bookmarks” aanmaken. In plaats van één link naar een website heb je een soort mapje. In dat mapje verschijnen vanzelf de laatste updates van die site. Als je wilt weten hoe dat moet, Google het maar. Je weet nu hoe je goed kan Googlen.

Social media
Heb je al een Facebook, Twitter of Google+ account? Tof, voeg me toe! Als je dat hebt gedaan is het meteen tijd om de bende eens op te ruimen. Je hebt vast veel vrienden, of je volgt veel mensen. Maar je hoeft echt niet alles direct voor je neus te krijgen. Zou het niet fijn zijn om de updates van je familie wel te zien, maar die van die ene collega juist nooit? Ik kan je vertellen, sommige mensen die ik op Facebook heb interesseren me bar weinig. Ik zie hun updates alleen als ik er zelf heen surf, en dat is maar goed ook.

Gelukkig is het niet zo lastig om dat zelf ook in te stellen. Op Google+ heet dat “circles“. Je deelt mensen in cirkeltjes in, en je kiest vervolgens welke cirkels je wel wilt zien, en welke niet. Andersom ook: deel je je foto’s met iedereen of alleen met het cirkeltje “Goeie vrienden”? Facebook biedt dat tegenwoordig ook aan: je vriendenlijst verdeel je in groepen: vrienden, familie, kennissen. Als dat niet genoeg is maak je zelf extra groepen aan: “collega’s”, “oud-collega’s”, “geen idee wie dit zijn”, etcetera. Twitter maakt het lastiger: je kan lijstjes maken. Die lijstjes zijn echter openbaar. Iedereen kan jouw lijstjes zien. Het idee is hetzelfde, je ziet alleen updates van die lijstjes. Maak echter niet de fout om jouw lijstje “saaie sufferds” te noemen. Dat is misschien niet zo netjes.

Hoe je het ook aanpakt, je sociale netwerk wordt er een stuk overzichtelijker van.

Documenten en foto’s
Dit is maar zijlings een internetdingetje. Computer vol met Word documenten? Harde schijven vol foto’s? Gebruik eens een programma als Picasa en gooi ze daar allemaal in. Picasa kan je foto’s indelen op datum, locatie, personen op de foto, en laat je makkelijk albums maken. Net als dat we vroeger allemaal fotoalbums zaten te plakken, kan je in zulke programma’s mooie fotoboeken maken. Sterker nog, je kan ze nog laten printen ook.

Het fijne van zo’n programma (ook iPhoto voor de Mac is er goed in) is dat je de foto’s makkelijk online (en offline) kan zetten, om ze te delen met vrienden en zulks. Geen gedoe meer met vreemde sites of het mailen van bijlages. Je zet ze er op, en hupsakee, je haalt ze er weer af.

Documenten zijn lastiger te organiseren. Kijk eens naar je eigen fysieke administratie. Je hebt minstens een onderscheid tussen werk / school en privé. Begin daar eens. Deel documenten in op jaar of op maand. Maak de indeling steeds fijner. In mijn geval, ik hou het op jaar (mijn huidige mapje is dus “2012″, en daar binnen maak ik onderscheid tussen de dingen waar ik mee bezig ben. Afstuderen, Radboud en “correspondentie”. Terwijl het jaar loopt komen daar misschien dingen bij.

Sjouw jij ook overal een USB stick heen? Altijd geëmmer met verschillende versies van documenten? Ik had ooit “Verslag 1″, “Verslag 1a”, “Verslag 1a-na-werk”, en nog vier versies. Niet te doen!

Als je je opgeeft voor bijvoorbeeld DropBox ben je daar vanaf. Dropbox geeft je 2GB (best veel voor documenten) aan opslagruimte online. Wat is daar nou zo handig aan? Nou, door hun programma te installeren krijg je in je Mijn Documenten (of op de Mac, Documents) een extra mapje: “My Dropbox”. Alles dat je daar in gooit wordt “gesynchroniseerd” met de opslagruimte online. Als je vervolgens ergens anders bent, kan je verder met zeker weten de allerlaatste versie van je document. Ik gebruikte het ooit op zowel mijn laptop, als mijn vaste computer. Ik hoef geen documenten meer heen en weer te sturen (bijvoorbeeld mailen naar mezelf.. onhandig!), want Dropbox regelt dat.

Samengevat
Ik ken een aantal mensen die er thuis een rommeltje van maken. Dat doe ik ook. Maar als puntje bij paaltje komt (bijvoorbeeld als mijn moeder op visite komt) ruim ik alles op en geef ik het allemaal een mooi plekje. Online doe ik dat ook (en ben ik een stuk strenger). En dat terwijl mijn moeder nog nooit heeft gekeken of ik Mijn Documenten wel heb opgeruimd.

Dankzij (onder andere) een jaar Thalia en het principe “wie wat bewaart, die heeft wat”, heb ik inmiddels zo’n 500 mensen in mijn adresboek staan. Al die mensen hebben óf een telefoonnummer, óf een e-mailadres. Bovendien hebben alle telefoonnummers de landcode er bij staan (zoals +31) èn controleer ik regelmatig of er geen dubbele mensen tussen staan.

Ik lees nieuws via Google Reader. Er staan zo’n 120 websites in. Sommigen updaten heel vaak (NOS.nl), anderen bijna nooit (zoals het weblog van Stephan). Maar als er iets gebeurt, krijg ik het mee.

Ik heb allerlei systemen (gebruikt) om foto’s te delen. Nu gebruik ik zoveel mogelijk Picasa als ik foto’s wil delen. Ze kunnen de foto’s op eigen initatief bekijken, afgeschermd van de rest van de wereld terwijl ik ze zo weer offline kan halen.

Voor veel familie ben ik het “handige neefje”. Waarom denk je dat ik vraag om de foutmelding letterlijk op te schrijven? Simpel. Ik gooi hem in Google. Ik Google niet op “Windows loopt vast” (8 miljard resultaten) maar op de precieze foutmelding. Scheelt al een heel stuk.

Het mooie is dat dit helemaal niet veel tijd kost. Het is eigenlijk ook niet zo lastig. Er zijn genoeg gure avonden tijdens deze wintermaanden. Schenk jezelf een glas wijn, ga achter je computer zitten en organiseer!

* Ja, dat is een typisch voorbeeld van de Engelse ziekte. Maar het leest wel fijner, niet?

Ouderwets hoor

Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het hoor. “Ouwe!”. Misschien is het ook wel zo. Ik schreef er laatst nog wat over.

Maar zo’n weblog hè? Zoals dit? Is dat niet hopeloos ouderwets? Ik bedoel, iedereen heeft Facebook, Twitter of Google+ om dit soort verhalen de ruimte in te zwengelen. Google+ wordt meer en meer gebruikt om opiniestukken op te schrijven. Veel technologiejongens zetten Google+ in om stukjes te schrijven over de iPhone, politiek of gewoon over hun dag, en reageren zo ook op elkaars epistels. Alsof het een soort moderne briefuitwisseling is. Naam er naast, reacties er onder. Hupsakee.

Dan kom ik daar met een weblog als dit natuurlijk wel heel erg 2005 bij over. Zit hij daar een beetje berichtjes te typen! Gebruikt hij RSS. Waarom geen snelle, flitsende, toffe pagina op G+ of Facebook?

Nou, redenen te over. Het privacy-issue niet direct. Althans, voor mij niet. Het maakt weinig uit of ik dit stukje op Facebook of op dit weblog zet. Mijn naam hangt er toch wel aan. Jullie privacy? Die komt ook een beetje in het geding. Ik gebruik namelijk de analyzesoftware van Google. Kortom, daar staan jullie ook in de database. Zeker nu ze hebben aangekondigd al hun verzamelde gegevens te gaan combineren.

Wat zou het dan zijn? Controle? Dat valt ook wel mee. Ik ben dan wel heer en meester over dit domein, ik heb nog nooit een reactie verwijderd; laat staan een stukje van mezelf. Overigens zijn er door de jaren heen genoeg reacties verdwenen: verhuizingen naar andere software, verhuizingen naar andere providers, elke keer ging er wel iets mis. Maar dat is het verder niet echt. Mijn archief staat vol met schaamtevolle lulkoek die ik vroeger de wereld in meende te gooien. Dat moet dan maar.

Er blijft maar weinig over. Sterker nog, de meeste sociale netwerken drukken jouw updates actief de wereld in. Het wordt gedeeld met je “circles“, je vrienden of je volgers. Mijn weblog doet dat niet. Ik doe dat zelf wel. Als ik me stil hou, valt het volgens mij maar weinig mensen op dat er hier weer een nieuw stukje staat. Ondanks het feit dat ik een aantal trouwe lezers heb (wat ik dan toch wel heel erg fijn vind) is het toch een beetje “mijn stekkie”. Als niemand het las was het ook goed.

Toch vind ik het wel wat hebben. Mijn eigen weblog. Geen geknoei met stomme instellingen op Blogger, geen platgeslagen site vanwege een mislukte backup, en ten alle tijden vrij om mijn bezoekers lastig te vallen met wat dan ook. Vulgair, bloot, stom, het mag allemaal. Immers, het is aan jullie om het te lezen, niet waar? Bovendien kan ik het zo mooi of lelijk maken als ik wil. Knoeien met HTML, een lelijke layout er op. Best wel fijn.

Maar wat vinden jullie? Zal ik dit weblog vervangen door een Google+ pagina? Wil je doorverwezen worden naar Twitter? Je staat er van te kijken wat er in 140 tekens past. Misschien moet ik jullie allemaal toevoegen op Facebook, en mijn profiel minder privé maken.

Of zal ik gewoon ouderwets doortypen? Dat heeft ook voordelen!

Quote v.d. dag: "Mijn dochter van 9 ziet in een film iemand op typemachine werken en zegt: "dat is handig, wordt het gelijk geprint."

De conclusie lijkt me simpel genoeg. Het is charmant, zo’n weblog. Het heeft wel iets. Er zijn maar weinig mensen die zich nog zonder het lidmaatschap van een sociaal netwerk buiten durven te vertonen. Weblogs zie je volgens mij steeds minder. Hooguit als iemand op reis gaat naar Timboektoe. Dan wordt er een reisblogje uit de klei getrokken vol met guitige (en jaloersmakende) updates over plaatsen waar je nooit bent geweest en waarschijnlijk nooit heen zal gaan.

Eigenlijk ben ik gewoon een ontzettende hipster.

Lijntekening van een typemachine

SOPA

De laatste keer dat ik écht klaagde op mijn weblog is toch alweer een tijdje terug. Natuurlijk, ik piep weleens over fietsen, Duitsers, werk en de uni, maar dat tèlt toch niet helemaal. Het zijn van die first world problems, het heerlijke verschijnsel dat het beste valt te beschrijven als “problemen van verwende Westerlingen”. Of het volgende ook als een “first world problem” gezien kan worden weet ik niet, maar het moet me toch even van het hart.

De afkorting SOPA komt je misschien wel bekend voor. De Stop Online Privacy Act is een poging van Amerikaanse mediabedrijven om software- en muziekpiraterij tegen te gaan. Het grootste kritiekpunt is het wegsnijden van de rechterlijke macht uit het proces: een wijzend vingertje is onder deze wet is genoeg om websites compleet plat te leggen en te laten verdwijnen uit zoekmachines.

Dat heeft niet alleen invloed op het voor velen zo bekende concept van “freedom of speech”, het is je reinste internetcensuur. Tim Cuijk, de baas van Brein, lijkt me iemand die maar wat blij zou zijn als een dergelijke wet er ook in ons landje zou komen. Niks trias politica. Bovendien zijn de maatregelen uiterst zinloos. Behalve de (makkelijk) te omzeilen technische maatregelen (dankzij de open natuur van het internet) is de wanhopige poging van de entertainmentindustrie om hun verlopen verdienmodel in de lucht te houden gedoemd te mislukken. Net als destijds de video, het cassettebandje en de grammofoonplaat hoeft het internet echt geen einde te betekenen voor geld verdienen met media. De opbrengsten van de film Avatar bijvoorbeeld brachten genoeg geld in het laatje om Harry Potter 7.1 én 7.2 meer dan vier keer te filmen. Ondanks het feit dat die films flink gedownload werden, bleef er nog een aardig zakcentje over. Daarnaast kennen we de Amazon, Apple en Google markten, waar je voor een kleine bijdrage muziek kan aanschaffen. Dan is daar ook nog Spotify, waar je zelfs gratis naar al je lieverlingsmuziek kan luisteren.

Die censuur is niet mijn probleem met SOPA. Maddox zegt het beter dan ik. Het slacktivism stuit me ook tegen de borst: kom, we tekenen een petitie en trekken onze website plat, dat zal helpen! Verder doen we niks. Eerlijk is eerlijk, de publieke opinie rondom SOPA is veranderd, ten goede, maar gaan we elk jaar websites platgooien en volksvertegenwoordigers bellen? Nu over twee jaar zijn er nog drie pogingen gedaan om een wet (zoals) SOPA door te drukken, en tegen die tijd is iedereen het protesteren wel moe. Je kan maar zoveel internetpetities tekenen voordat zelfs dat (ultiem luie) gebaar je teveel wordt.

Erger vind ik de hypocrisie van partijen die zich tegen SOPA hebben uitgesproken. Het is censuur! Het internet is vrij! Zelfs Sergey Brin, een van de oprichters van Google, vergeleek SOPA met de internetcensuur van China. Gek toch, terwijl Google in China actief meewerkt aan de censuur die de overheid toepast op hun staatsburgers. Niet alleen in China zijn ze actief. Google News trok een heel rijtje sites uit hun zoek-index nadat ze materiaal gelekt via Wikileaks op hun website plaatsten. Later kostte één van de betreffende sites dat ook hun YouTube kanaal, ondanks het feit dat het materiaal elders ook gewoon op YouTube stond.

Met als beste argument “for the children” blokkeert Apple routinematig pornografische applicaties uit haar App Store. Het Duitse blad Stern kreeg haar applicatie niet door de censuur heen, het zou toch ietsje te sexy zijn. Gek toch, want het blad kent geen leeftijdsgrens. Een applicatie met kritische cartoons kwam pas door de censuur heen toen de tekenaar een Pullitzer won. Maar ook de Dalai Lama applicatie haalde de virtuele schappen nooit, op verzoek van de Chinese overheid. Een Palestijnse applicatie mocht niet van de Israëlische overheid, en werd derhalve geblokkeerd. Elke dag honoreert Google takedown verzoeken van de Amerikaanse overheid vanwege filmpjes die kritisch zijn over de overheid. Het zijn niet alleen muziekvideo’s die geblokkeerd worden.

Het Amerikaanse Department of Homeland Security haalt nu al sites van het internet als ze te kritisch zijn. Kijk maar naar MegaUpload. Die is sinds een dag of wat verdwenen vanwege “piraterij”. Wanneer de duizenden betalende klanten weer bij hun documenten kunnen is nog maar de vraag. Die zijn inmiddels in handen van de overheid. Fijn! VeriSign, die onder andere grote DNS servers draait, heeft in het verleden sites van het web gehaald zonder dat daar een rechter bij kwam kijken.

Terwijl het kantoor van de Amerikaanse president zich uitspreekt tegen SOPA, Google een mooie gecensureerde website laat zien en vele sites en organisaties hun websites uit protest uit de lucht halen, zijn dergelijke censuurpraktijken al jaren aan de gang. Facebook blokkeert links naar The Pirate Bay, omdat het “unsafe” zou zijn. Een link naar Astalavista kan dan weer wel, en die site staat pas echt vol porno en spyware. Google maakt je zoektermen niet eens af, als je muziek wilt downloaden. VISA en MasterCard blokkeerden het betaalverkeer van Wikileaks, terwijl de organisatie nergens om was veroordeeld, laat staan dat er een aanklacht was. Digg kreeg een takedown notice (en ging er in mee) toen slimme jongens de code plaatsen waarmee je DVD’s kan ontcijferen.

Waarom zijn we zo kritisch op overheidscensuur (hier in Nederland: via Brein) terwijl grote bedrijven diezelfde praktijken al jaren toepassen zonder dat er een haan naar kraait?

Addendum: Toen ik dit schreef waren zowel SOPA als PIPA nog niet afgeschoten. Inmiddels is dat wel zo. Echter, ik vermoed dat ze onder een andere naam binnenkort terug komen.