Ik zou nu hard aan het afstuderen moeten zijn. Druk bezig met het schrijven van mijn ‘plan van aanpak’. Hard aan het Googlen zijn naar bronmateriaal, documentatie en programmeercode. Flink aan het zweten boven mijn toetsenbord om de computer te laten doen wat ik wil. Eigenlijk.
Twee weken geleden ging mijn afstudeeropdracht officiëel niet door. Dat is overigens niemands schuld, behalve misschien mijn eigen. De sollicitatieprocedure bij het bedrijf in kwestie duurde erg lang. Zo had ik mijn eerste echte gesprek drie (!) maanden na het opsturen van mijn sollicitatiebrief. Ik aan de andere kant, keek zo ontzettend uit naar dit bedrijf, dat ik andere mogelijkheden verwaarloosde. Stom.
Uiteindelijk mislukte alles faliekant omdat het te lang duurde. Ik was overtijd, en de twee extra weken die ik kreeg van de examencommissie mochten niet baten. Helaas pindakaas voor mij. Geen afstuderen in een zonnig, zuidelijk land.
Netto loop ik gelukkig geen studievertraging op. In het halve jaar dat ik nu vrij ben ga ik verder met het schakeljaar aan de universiteit. Dat zit zo: over een jaar heb ik mijn bachelor binnen. Daarna wil ik mijn master gaan halen, aan de Radboud universiteit in Nijmegen. Om aan het master-traject te mogen beginnen, moet je eerst een schakeljaar volgen om gemiste stof in te halen en bij te spijkeren. De eerste helft van dat schakeljaar kon ik al tijdens mijn HBO opleiding doen. De tweede helft zou daarna pas komen. Nu is het dus zo, dat ik de tweede helft ook (min of meer) tijdens mij HBO opleiding doe. Eigenlijk draai ik nu mijn afstuderen en het schakeljaar om. Eerst schakelen, dan afstuderen.
Om mij heen is bijna iedereen druk bezig met afstuderen. Tim en Arjan bijvoorbeeld zijn druk aan het programmeren bij hun afstudeerbedrijfjes. Van hun werk bereiken mij bijna alleen de klachten. ‘Rotsysteem dit en dat‘, ‘Al die foutmeldingen zus en zo‘, ik krijg alles over me heen. Vind ik niet erg. Ik zit ook altijd lekker te uitlaatkleppen naar hun toe en bovendien, meestal hoor ik niks (ze zijn namelijk erg goed in hun werk).
Ondertussen zit ik zelf dus ook weleens te klagen. Stiekem. Als niemand luistert. Want de problemen waar ik mee kamp vallen wel een beetje in de categorie luxeproblemen. Ik klaag bijvoorbeeld als ik me verveel, of als de kachel weer eens niet meewerkt (altijd te warm of te koud). Ik klaag ook als ik naar college moet (wel twee keer per week), of als ik vroeg op moet. Dat laatste doe ik overigens vrijwillig, dus waarom ik klaag weet ik ook niet.
Er valt dus altijd wel wat te zeuren en te emmeren. Wat typisch Nederlands is, zo schijnt het. Al sprak ik laatst een Duitser: “Klagen, dat is toch zo typisch Duits!” verzuchtte hij. Ook een Tsjechisch meisje dat ik ken uit Finland begon er over. “Altijd dat geklaag over niks! Stom volk zijn we ook!“. Een universeel verschijnsel is het dus wel.
De enige conclusie die je daar uit kan trekken is dat we met zijn allen verschrikkelijk verwend zijn. Nou ben ik niet het type om verontwaardigd dingen te roepen als “In Afrika, daar hebben ze helemaal geen IT!“, soms denk ik het wel. Vooral als ik mezelf hoor klagen ‘dat de M&M’s nou alweer op zijn’. Verwend nest dat ik ben!