Robert is vandaag naar de normale verpleegafdeling verhuisd. We komen de kamer binnen; het is er koud. Nadat we even met de verpleegster gesproken hebben komt er een extra deken. Tonnie vraagt: ‘Heb je het nu warmer?’. Robert zegt:’ Ik heb het nu warmer genoeg.’
De fisiotherapeut is, voor wij er waren, bij Robert geweest. Hij heeft een kwartier in een stoel gezeten; het deed wel pijn maar hij heeft rechtop gezeten. Ook als wij er zijn gaat hij af en toe rechtop zitten. Miriam vraagt of hij weet hoe ze heet. ‘Ja, Miriam’. En even later doet hij zijn ogen open, en kijkt haar met grote ogen aan. ‘Je ziet er raar uit. Je moet zorgen dat je…. verandert.’
De ogen gaan weer dicht. Wij zijn in jubelstemming. Robert spreekt in volzinnen, hij geeft aan wat hij wil en wat hij ziet en hij heeft Miriam herkent! Even later is hij weer moe en reageert ook minder. Maar voor ons gevoel is het een grote sprong vooruit.
Tonnie en Miriam