Ouderwets hoor

Het zou niet de eerste keer zijn dat ik het hoor. “Ouwe!”. Misschien is het ook wel zo. Ik schreef er laatst nog wat over.

Maar zo’n weblog hè? Zoals dit? Is dat niet hopeloos ouderwets? Ik bedoel, iedereen heeft Facebook, Twitter of Google+ om dit soort verhalen de ruimte in te zwengelen. Google+ wordt meer en meer gebruikt om opiniestukken op te schrijven. Veel technologiejongens zetten Google+ in om stukjes te schrijven over de iPhone, politiek of gewoon over hun dag, en reageren zo ook op elkaars epistels. Alsof het een soort moderne briefuitwisseling is. Naam er naast, reacties er onder. Hupsakee.

Dan kom ik daar met een weblog als dit natuurlijk wel heel erg 2005 bij over. Zit hij daar een beetje berichtjes te typen! Gebruikt hij RSS. Waarom geen snelle, flitsende, toffe pagina op G+ of Facebook?

Nou, redenen te over. Het privacy-issue niet direct. Althans, voor mij niet. Het maakt weinig uit of ik dit stukje op Facebook of op dit weblog zet. Mijn naam hangt er toch wel aan. Jullie privacy? Die komt ook een beetje in het geding. Ik gebruik namelijk de analyzesoftware van Google. Kortom, daar staan jullie ook in de database. Zeker nu ze hebben aangekondigd al hun verzamelde gegevens te gaan combineren.

Wat zou het dan zijn? Controle? Dat valt ook wel mee. Ik ben dan wel heer en meester over dit domein, ik heb nog nooit een reactie verwijderd; laat staan een stukje van mezelf. Overigens zijn er door de jaren heen genoeg reacties verdwenen: verhuizingen naar andere software, verhuizingen naar andere providers, elke keer ging er wel iets mis. Maar dat is het verder niet echt. Mijn archief staat vol met schaamtevolle lulkoek die ik vroeger de wereld in meende te gooien. Dat moet dan maar.

Er blijft maar weinig over. Sterker nog, de meeste sociale netwerken drukken jouw updates actief de wereld in. Het wordt gedeeld met je “circles“, je vrienden of je volgers. Mijn weblog doet dat niet. Ik doe dat zelf wel. Als ik me stil hou, valt het volgens mij maar weinig mensen op dat er hier weer een nieuw stukje staat. Ondanks het feit dat ik een aantal trouwe lezers heb (wat ik dan toch wel heel erg fijn vind) is het toch een beetje “mijn stekkie”. Als niemand het las was het ook goed.

Toch vind ik het wel wat hebben. Mijn eigen weblog. Geen geknoei met stomme instellingen op Blogger, geen platgeslagen site vanwege een mislukte backup, en ten alle tijden vrij om mijn bezoekers lastig te vallen met wat dan ook. Vulgair, bloot, stom, het mag allemaal. Immers, het is aan jullie om het te lezen, niet waar? Bovendien kan ik het zo mooi of lelijk maken als ik wil. Knoeien met HTML, een lelijke layout er op. Best wel fijn.

Maar wat vinden jullie? Zal ik dit weblog vervangen door een Google+ pagina? Wil je doorverwezen worden naar Twitter? Je staat er van te kijken wat er in 140 tekens past. Misschien moet ik jullie allemaal toevoegen op Facebook, en mijn profiel minder privé maken.

Of zal ik gewoon ouderwets doortypen? Dat heeft ook voordelen!

Quote v.d. dag: "Mijn dochter van 9 ziet in een film iemand op typemachine werken en zegt: "dat is handig, wordt het gelijk geprint."

De conclusie lijkt me simpel genoeg. Het is charmant, zo’n weblog. Het heeft wel iets. Er zijn maar weinig mensen die zich nog zonder het lidmaatschap van een sociaal netwerk buiten durven te vertonen. Weblogs zie je volgens mij steeds minder. Hooguit als iemand op reis gaat naar Timboektoe. Dan wordt er een reisblogje uit de klei getrokken vol met guitige (en jaloersmakende) updates over plaatsen waar je nooit bent geweest en waarschijnlijk nooit heen zal gaan.

Eigenlijk ben ik gewoon een ontzettende hipster.

Lijntekening van een typemachine

SOPA

De laatste keer dat ik écht klaagde op mijn weblog is toch alweer een tijdje terug. Natuurlijk, ik piep weleens over fietsen, Duitsers, werk en de uni, maar dat tèlt toch niet helemaal. Het zijn van die first world problems, het heerlijke verschijnsel dat het beste valt te beschrijven als “problemen van verwende Westerlingen”. Of het volgende ook als een “first world problem” gezien kan worden weet ik niet, maar het moet me toch even van het hart.

De afkorting SOPA komt je misschien wel bekend voor. De Stop Online Privacy Act is een poging van Amerikaanse mediabedrijven om software- en muziekpiraterij tegen te gaan. Het grootste kritiekpunt is het wegsnijden van de rechterlijke macht uit het proces: een wijzend vingertje is onder deze wet is genoeg om websites compleet plat te leggen en te laten verdwijnen uit zoekmachines.

Dat heeft niet alleen invloed op het voor velen zo bekende concept van “freedom of speech”, het is je reinste internetcensuur. Tim Cuijk, de baas van Brein, lijkt me iemand die maar wat blij zou zijn als een dergelijke wet er ook in ons landje zou komen. Niks trias politica. Bovendien zijn de maatregelen uiterst zinloos. Behalve de (makkelijk) te omzeilen technische maatregelen (dankzij de open natuur van het internet) is de wanhopige poging van de entertainmentindustrie om hun verlopen verdienmodel in de lucht te houden gedoemd te mislukken. Net als destijds de video, het cassettebandje en de grammofoonplaat hoeft het internet echt geen einde te betekenen voor geld verdienen met media. De opbrengsten van de film Avatar bijvoorbeeld brachten genoeg geld in het laatje om Harry Potter 7.1 én 7.2 meer dan vier keer te filmen. Ondanks het feit dat die films flink gedownload werden, bleef er nog een aardig zakcentje over. Daarnaast kennen we de Amazon, Apple en Google markten, waar je voor een kleine bijdrage muziek kan aanschaffen. Dan is daar ook nog Spotify, waar je zelfs gratis naar al je lieverlingsmuziek kan luisteren.

Die censuur is niet mijn probleem met SOPA. Maddox zegt het beter dan ik. Het slacktivism stuit me ook tegen de borst: kom, we tekenen een petitie en trekken onze website plat, dat zal helpen! Verder doen we niks. Eerlijk is eerlijk, de publieke opinie rondom SOPA is veranderd, ten goede, maar gaan we elk jaar websites platgooien en volksvertegenwoordigers bellen? Nu over twee jaar zijn er nog drie pogingen gedaan om een wet (zoals) SOPA door te drukken, en tegen die tijd is iedereen het protesteren wel moe. Je kan maar zoveel internetpetities tekenen voordat zelfs dat (ultiem luie) gebaar je teveel wordt.

Erger vind ik de hypocrisie van partijen die zich tegen SOPA hebben uitgesproken. Het is censuur! Het internet is vrij! Zelfs Sergey Brin, een van de oprichters van Google, vergeleek SOPA met de internetcensuur van China. Gek toch, terwijl Google in China actief meewerkt aan de censuur die de overheid toepast op hun staatsburgers. Niet alleen in China zijn ze actief. Google News trok een heel rijtje sites uit hun zoek-index nadat ze materiaal gelekt via Wikileaks op hun website plaatsten. Later kostte één van de betreffende sites dat ook hun YouTube kanaal, ondanks het feit dat het materiaal elders ook gewoon op YouTube stond.

Met als beste argument “for the children” blokkeert Apple routinematig pornografische applicaties uit haar App Store. Het Duitse blad Stern kreeg haar applicatie niet door de censuur heen, het zou toch ietsje te sexy zijn. Gek toch, want het blad kent geen leeftijdsgrens. Een applicatie met kritische cartoons kwam pas door de censuur heen toen de tekenaar een Pullitzer won. Maar ook de Dalai Lama applicatie haalde de virtuele schappen nooit, op verzoek van de Chinese overheid. Een Palestijnse applicatie mocht niet van de Israëlische overheid, en werd derhalve geblokkeerd. Elke dag honoreert Google takedown verzoeken van de Amerikaanse overheid vanwege filmpjes die kritisch zijn over de overheid. Het zijn niet alleen muziekvideo’s die geblokkeerd worden.

Het Amerikaanse Department of Homeland Security haalt nu al sites van het internet als ze te kritisch zijn. Kijk maar naar MegaUpload. Die is sinds een dag of wat verdwenen vanwege “piraterij”. Wanneer de duizenden betalende klanten weer bij hun documenten kunnen is nog maar de vraag. Die zijn inmiddels in handen van de overheid. Fijn! VeriSign, die onder andere grote DNS servers draait, heeft in het verleden sites van het web gehaald zonder dat daar een rechter bij kwam kijken.

Terwijl het kantoor van de Amerikaanse president zich uitspreekt tegen SOPA, Google een mooie gecensureerde website laat zien en vele sites en organisaties hun websites uit protest uit de lucht halen, zijn dergelijke censuurpraktijken al jaren aan de gang. Facebook blokkeert links naar The Pirate Bay, omdat het “unsafe” zou zijn. Een link naar Astalavista kan dan weer wel, en die site staat pas echt vol porno en spyware. Google maakt je zoektermen niet eens af, als je muziek wilt downloaden. VISA en MasterCard blokkeerden het betaalverkeer van Wikileaks, terwijl de organisatie nergens om was veroordeeld, laat staan dat er een aanklacht was. Digg kreeg een takedown notice (en ging er in mee) toen slimme jongens de code plaatsen waarmee je DVD’s kan ontcijferen.

Waarom zijn we zo kritisch op overheidscensuur (hier in Nederland: via Brein) terwijl grote bedrijven diezelfde praktijken al jaren toepassen zonder dat er een haan naar kraait?

Addendum: Toen ik dit schreef waren zowel SOPA als PIPA nog niet afgeschoten. Inmiddels is dat wel zo. Echter, ik vermoed dat ze onder een andere naam binnenkort terug komen.

Sinterklaas

Omdat het Sinterklaas is, vandaag een blogje in rijm
Een feest dat ze in Duitsland niet vieren, maar da’s geen geheim

In Nederland klaagt men steen en been,
Over de pepernoten in de schappen, de zomer is nauwelijks heen!

Al vanaf augustus kunnen we die troep kopen en eten
Alsof we het hele feest anders zouden vergeten

Waar ik nu woon, doet men dat ook met die heerlijke dagen
Kerstrommel was al in september te koop, en ik maar klagen!

Gelukkig is het nu tijd voor de sint en zijn pieten
Nog even en we zien hem acht maanden niet meer tweeten

Acht maanden ja zeker, want de volgende zomer is hij er weer
Met pepernoten, chocoladeletters en wat al niet meer

Vergis je niet, deze tijd van het jaar is best wel fijn
Maar een jaar met wat minder commercie, zou voor mij niet vervelend zijn.

Kom, we doen de intocht volgend jaar slechts een dag van te voor,
Dat zal veel stress schelen (als is het maar bij de ouders hoor)

Gelukkig is rijmen niet zo lastig, dat scheelt mij veel
Tien regels dichten is geen strafwerk, ik klets en ik kweel

Mijn regels op papier, met veel gestreep en geklad
Al doe ik het dit jaar digitaal, op mijn appeltje pad

Het gedichtje is nu uit, het duurde maar even
Control alt shift F zeven

Geplaatst in /me

Sprechen sie Deutsch?

Nou, niet echt. Ik goochel maar wat aan. Dit weekend had ik een stel vrienden over de vloer. In het hotel zou ik wel even vragen waar ze konden parkeren. Met mijn stein-Keulen Duits. Vriendelijk werd ik verbeterd. Heerlijk.

Je kent de grap vast wel van Herman Finkers. “Ik ken überhaupt maar één woord Duits”. Dat is mijn taalkennis in een notendop. Een gebrek aan naamvallen en een woordenschat van een kind van vier. Een Duits kind welteverstaan.

De afgelopen weken sprak ik voornamelijk Engels. Dat is net wat vertrouwder en daar kom ik mee weg. Engels kan ik wel. Een collega maakte daar een opmerking over. “Beter ga je gewoon Duits praten. Ons boeien de foutjes niet.“. Nou, ik twijfelde nog. “Als jij Engels blijft praten is het netto effect dat jij geen Duits leert, en wij beter Engels gaan praten.“. Daar had-ie wel een punt.

Ik ga deze week dus maar eens hard mijn best doen. Ik begon dit weekend al, in de kroeg. Tussen de dronken karaokezangers stond een vent in een “de wolf uit Roodkapje”-pak. Hij was met twee Roodkapjes de stad in. Lage decolletés en leuke rokjes. Niet vervelend om naar te kijken. Het pak moet erg warm zijn geweest. Maar eerst een anekdote.

Een paar jaar geleden stond ik met een stel vrienden in Frankrijk op de Tour de France te wachten. We wisten niet wanneer-ie voorbij zou komen. Ik zou dat wel eens even aan oom agent gaan vragen. Ik er heen, om in mijn steenkolen-Frans aan le Gendarme te vragen “a quelle heure c’est le tour de franse ce que passé que?”. Dat de beste man er wat van kon maken, verbaast me nog steeds.

Daar stond ik dan. De agent hield een monoloog van minstens vijf minuten. Ik knikte maar wat mee, gokkend op de toon van zijn stem en de twee woordjes die ik wèl verstond. Vervolgens terug naar mijn vrienden.

“Wat zei hij?”
- “Gééén idee!”

Zo gaat dat dus met mij en vreemde talen. Maar terug naar de wolf. Ik vroeg iets van “of het niet bloedje heet was in dat pak“. “Dat was het zeker” vertelde hij. Gisteren had-ie er ookal acht uur in rondgesjouwd. “Dan hebben de Roodkapjes het toch beter” was mijn droge opmerking terug. Niet dat-ie dat verstond. Maar hij begreep wat ik bedoelde. Wij lachen. Soms maakt het niks uit dat je elkaar niet verstaat.

Op de fiets

Sinds vorige week donderdag woont mijn prachtige stalen ros hier in Düsseldorf. Erg fijn, het scheelt me hele einden lopen en ook de stad is dichterbij. Echt optimaal is het echter niet. Dat ligt niet aan mij. Ik kan na al die jaren zonder zijwieltjes erg goed fietsen. Het is alleen zo jammer dat de meeste mensen hier totaal niet gewend zijn aan fietsers.

Sowieso fietspaden. Meestal fiets je op de weg, maar op veel plaatsen zijn met dikke witte lijnen fietspaden aangegeven. Die lijnen zijn echter getrokken door een gemeentemedewerker met de motoriek van een kind van drie. Het slingert maar wat aan. Heen en weer over de stoep dus.

Niemand is er aan gewend dat er daadwerkelijk mensen tussen die lijnen door fietsen. Ze steken over, voor je neus, zonder te kijken. Worden ze boos als je hard belt en boos kijkt.

Gisteren, ook zoiets. Ik voelde me de koning te rijk. Lekker weer, ik had er de vaart in, en een fijn liedje op mijn koptelefoon. Ik roffel op mijn bovenbenen met het deuntje mee. Iedereen staarde me na.

De polizei agent die me honderd meter verderop van de weg plukte (gewoon, door zijn BMW station dwars over de stoep te gooien) legde uit waarom dat was. Je mag niet met losse handen fietsen. Nee, ook niet met één hand. Verboten. Dikke boete. Gelukkig wist ik hem er van te overtuigen dat ik dat niet wist. Mijn Niederlandische mondje slecht Duits hielp goed. Ik mocht doorfietsen. Maar, handjes aan het stuur!

Automobilisten weten ook niet zo goed wat ze met een fietser aanmoeten. Of ze geven je twee banen de ruimte bij het passeren, of ze passeren veiligheidshalve maar gewoon helemaal niet. Sukkelen ze in de tweede versnelling een beetje achter je aan. Ik verwachtte bijna dat me een bidon zou worden aangereikt.

Het fietstempo ligt ook niet heel hoog. Tien, vijftien kilometer per uur redden de meeste fietsers maar net. Als je dan met dertig (heuvel af, kom gauw) voorbij komt razen kijken ze alsof je zojuist hoogstpersoonlijk de lichtsnelheid hebt gebroken.

Fietsendiefstal is ook niet zo’n punt. De meeste fietsen staan wel vast hoor, maar dat lijkt een beetje symbolisch. Ik bedoel, wie maakt zijn fiets nou vast aan zo’n laag paaltje? Daar schuif je het slot zo vanaf. Als fietsen al goed aan een stevig hek zitten, is dat met een slot zo dik als waslijn. Daar kom ik met mijn nagelschaartje nog doorheen!

Vorig weekend sliep mijn fiets bij station Düsseldorf. Ik was niet heel bang dat hem zou overkomen. Ik heb er een slot op zitten dat in Nederland wordt gebruikt om kernafvalopslagplaatsen veilig te stellen, en de gietijzeren lantaarnpaal waar-ie aan vast zat gaat ook nergens heen. Daarbij, hij werd omringd door slechter beveiligde krotten. Die van mij is heul mooi, zeker vergeleken bij die krengen. Toen ik weer hier was, stond-ie er inderdaad nog.

Ik zal de flauwe fahrradgrapjes maar achterwege laten, al waagde ik wel een “ich habe es nicht gewusst” toen de agent over het fietsen met losse handen begon. Hij kon er nog om lachen ook.

Gewoontedier

Volgens mij is iedereen wel een beetje een gewoontedier. Je hebt elke dag hetzelfde ochtendritueel, je loopt dezelfde route naar school/huis/werk, en een vrije dag begin je altijd hetzelfde, door (al dan niet) uit te slapen.

Ik ben zeker een gewoontedier. Daar kwam ik gister weer achter. Stukje historie: Mijn ouders kochten jaren en jaren terug een nieuw koffiezetapparaat. Da’s niet heel spannend verder. Het was een zwarte, een Braun ofzo. Het ding ging jaren mee. Er brak weleens een plasticje af, maar mijn vader repareerde dat a la MacGyver met een beetje ducttape of een schroefje. Toen het apparaat echt stuk ging kwam er een nieuwe. Omdat dit model zo goed beviel, kochten ze gewoon precies dezelfde weer.

Toen ik op kamers ging (weer een aantal jaar later) moest ik ook een koffiezetapparaat hebben. Het was praktisch mijn eerste aanschaf. Ik dook de Blokker in en zie daar! Het apparaat dat ook bij mijn moeder in de keuken staat. Kostte drie tientjes, dus hoppetee, gekocht. Had ik precies hetzelfde apparaat als waar ik altijd al koffie uit dronk. Ik vond het heerlijk.

Een paar jaar (en een verhuizing) later kreeg ik het voor elkaar de kan te slopen. Die was van stevig glas, maar overleefde mijn lompe moves helaas niet. Op de website van Braun is het mogelijk een nieuwe kan te bestellen, maar die moet zowat twee keer de prijs van een nieuw apparaat kosten. Dat gingen we dus mooi niet doen. In plaats daarvan ging ik terug naar de Blokker, en ik kocht precies hetzelfde apparaat weer. Nou, dat is wel een beetje een gewoonte.

Slaan we weer een periode over. Hier in Düsseldorf zette ik nog old-skool koffie. De eerste drie weken ging dat prima. Pannetje water op het vuur, koffie in zo’n campingfilter, en voorzichtig gieten. Het ging niet altijd goed (koffieprut in je koffie) en het duurde heel lang. Maar ik sta vroeg op, dus ik heb er de tijd voor.

Gisteren had ik daar toch echt wel genoeg van. Ik was toevallig met mijn stagebegeleider in de Media Markt en ik dacht, “vanavond kom ik terug en koop ik een koffiezetapparaat”.

Welke denk je dat ik heb gekocht?

Precies diezelfde zwarte van Braun!

Niet alleen is het apparaat al minstens vijftien jaar ongewijzigd op de markt, ik ben zo’n gewoontedier dat ik de (destijds vast verschrikkelijk triviale) keuze van mijn ouders niet los kan laten, maar gewoon precies hetzelfde doe.

Eerlijk is eerlijk, het enige goede alternatief voor de Braun was een Jura van vierduizend euro. Want ja, zo goed vind ik de koffie uit mijn eigen, bekende apparaat ;-).

Huisbaas

Inmiddels ben ik een beetje gesettled hier. Dat was de eerste dagen niet. Het was een beetje rommelig, een beetje viezig, en mijn flatje is duidelijk “geleefd”; alles is een beetje shabby. Maar ach. Het is tijdelijk dus ik overleef het wel.

De zaterdag dat ik hier kwam deed ik samen met mijn huisbaas een rondje. Even alle kamers af (wel twee!). Hier een lampje stuk, daar mist een dingetje, en er stond nog een oude bank op mijn balkon. Bovendien was mijn bed niet meer dan twee schuimmatrassen op een crappy bed. Nou is dat bed nog steeds crappy, maar hij beloofde in ieder geval wat matrashoezen. Nieuwe lampjes in de woonkamer, een salontafel, alles dat maar mistte, zou worden aangevuld of gerepareerd. Hoera!

Nou belde hij vorige week. Of ik thuis was. Dat was ik niet, immers, ik zit hier niet voor niets. Maar hij vroeg of hij binnen mocht komen. Ik zeg sure, doe je ding. Kom ik thuis, ligt er een mooie molton op mijn bed. Hoera!

De rest van de week, en afgelopen week, ben ik een paar keer thuis gekomen, en was er iemand in mijn woning geweest. Ik weet zeker dat er iemand was. Er lagen spullen anders, de bezem stond in de woonkamer (die staat normaal verstopt in een inbouwkast), en mijn geïmproviseerde waslijn hing ineens heel ergens anders. Of ik liep binnen, en mijn inmiddels droge overhemden hingen niet meer aan diezelfde waslijn, maar lagen op bed. Vreemd.

Het is altijd mijn huisbaas. Dat weet ik zeker. Immers, er mist niks (erg fijn), maar er is juist wat bij. Nieuwe lampjes. De ouwe bank op het balkon is weg. Een matrashoes over het àndere bed. Er liggen GAMMA-verpakkingen in de prullenbak en er (ja echt) is geveegd. Mijn flatje wordt stilletjes aan gepimpt.

Ik zal vandaag of morgen eens even foto’s uploaden. Eerst even de bierflesjes inleveren, en een beetje opruimen. Want dat is ook zoiets. Ik hou het hier best netjes. Ik vind het wel zo fijn om thuis te komen na een dag werken, dat het dan netjes is. Dus, altijd even de troep weg en dat ene bord dat ik vies maak, even afwassen. Er is een warme lunch op mijn werk, elke dag wat anders, voor het fenomenale bedrag van 2,20 euro. Die kost mij 2,80, want ik ben de enige idioot die er melk bij drinkt in plaats van cola (rare jongens, die Hollanders), en melk is duur. ‘s Avonds smeer ik boterhammen met jam en dan vind ik het wel weer goed. Dat kost niet heel veel afwas.

Maar wat ik zeggen wilde: elke keer als het hier een puinzooi is, komt mijn huisbaas stiekem over de vloer. Wat moet hij wel niet denken, zo’n vieze student in zijn mooie flat?

When in Rome…

Of nou ja, in Düsseldorf…

Het is apart hoe groot sommige verschillen zijn, tussen Nederland en Duitsland, ondanks het feit dat het zo dichtbij is. Sterker nog, Düsseldorf ligt niet heel veel verder van Arnhem, dan Amsterdam er vandaan ligt. Je merkt echter meteen dat je in Duitsland bent. Nee, niet omdat iedereen Duits spreekt. Niet alleen daarom.

Is het voetgangerslicht rood? Dan wacht je. Iedereen wacht. Ook als de straat leeg is. Sta je daar. Verder is iedereen Herr [naam] of Frau [naam], zeker als je iemand noemt in een gesprek. Ik hoorde twee collega’s naar mij refereren als Herr Sander.

Uiteraard is het hier “jasje-dasje”. Ik heb mijn das meestal niet om (mijn begeleider heeft hem meestal niet om, dus hoef ik dat ook niet), maar bij vergaderingen en ontmoetingen is dat wel verplicht. Zeker als daar een meerdere bij is.

Duitsers (zonder ze gelijk allemaal over één kam te scheren) zijn wat netter en punctueler dan wij. Niemand waardeert het als je niet op een afspraak komt opdagen, en dat gebeurt hier ook absoluut niet. Maar als je een kop koffie hebt gepakt, wie loopt er direct naar de afwasmachine om zijn kopje weg te zetten?

Het is ook vrij normaal om andere mensen aan te spreken op hun fouten. Zeker in het openbaar. Ik zat in de tram, krijgt een vrouw tegenover mij op d’r kop van iemand omdat ze met haar voeten te ver in het gangpad zat. Die vrouw heeft vervolgens niet zoiets van “optiefen, ouwe graftak!” maar gaat keurig wat rechter zitten.

Verder? Ik ben redelijk gewend, en aan de slag hier. Ik moet zeggen dat de afgelopen dagen het tempo wat lager lag. Er is een netwerkbron waar ik bij moet, maar de rechten krijg ik maar niet. Hoeveel ik ook zeur bij de helpdesk, het duurt maar en duurt maar. Dat is vervelend, want het houdt een keer op met wat ik kan doen, zonder bij de relevante documenten te kunnen.

In mijn nieuwe stekkie is alles wel ingericht en neergezet. Dit weekend ging ik weer met twee volle sporttassen naar Dusseldorf voor de laatste spullen: kleren, kabeltjes, wat boeken. Het is bijna echt een huisje nu.

De internationale treinen zijn dan wel weer dramatisch. Men wacht niet op elkaar, treinen sluiten sowieso slecht aan en het duurt maar en het duurt maar. Veolia is wat dat betreft nog het meest verschrikkelijk. Die rijden rustig weg, ook als ze een man of veertig het perron zien oprennen om de trein te halen. Zelfs de ICE is niet perfect. Ik had deze zondag een rit met de ICE geboekt dus ik zou zonder overstappen kunnen gaan. Jammer genoeg moest ik bij Oberhausen een andere trein in; er was ergens panne dus werden we eruit geknikkert zodat onze trein als reserve ingezet kon worden. Gedoe, gedoe.

Nu, back to work!

In Düsseldorf

Zo, ik ben er. Afgelopen zaterdag was ik hier al even, en zondag ben ik samen met Arjan echt overgegaan. Dat wil zeggen, we gingen allebei heen, maar RJ ging in zijn eentje ‘weer’.

Voor de mensen die het nog niet wisten; ik ben aan afstuderen. Alweer! Dit keer voor mijn Master. Om dat felbegeerde papiertje in bezit te krijgen zit ik in Düsseldorf, bij een hele grote retailer, om onderzoek te doen naar allerlei IT gerelateerde zaken. Ik zit vrij hoog in de rangen; tussen mij en de CIO zitten niet heel veel managementschijven. Dat is wel weer gaaf. Je merkt er niet heel veel van hoor, behalve als je op het intranet rondbladert. Alle “head of this department”-foto’s zijn van mensen hier op de gang.

Verder is het nu al, op dag twee, gewoon lekker werken. Ik moet aan de slag. Dat betekent inlezen, meeluisteren, plannen en werken. Voor mijn opdracht is het nu belangrijk dat ik de juiste mensen te spreken krijg, veel artikelen lees en mijn tijd hier ga indelen.

Mijn flatje is wel cool. Een beetje shabby wel, erg geleefd. Versleten hier en daar, en wat hardnekkige vlekken. Het was allemaal prima weg te poetsen, maar het was te merken dat ik niet de eerste bewoner was. Wel zit ik ideaal in het centrum, lekker hoog (met lift), en aan de achterkant, dus weinig herrie. Bovendien zit ik vlak bij het centrum. Echt om de hoek zit de Schadowstraße, een van Düsseldorf’s drukste winkelstraten, met de rest van het centrum er achteraan. Winkelen, en boodschappen doen zijn snel gedaan.

Maar ik ga maar eens aan de slag! Ik zit in mijn baas z’n tijd een beetje te bloggen, foei.

Op naar het volgende land

Inmiddels ben ik weer veilig terug in Nederland. Wennen aan het weer (de regen is koud!), alle was gedaan en nu nog even vakantie.

De vlucht van Accra (via Casablanca) was lang maar ging opvallend soepel. Ik had er een hard hoofd in toen we gingen. Systemen lagen plat, lange rijen en geen boarding pass voor de overstap naar Amsterdam. Maar de douane was verschrikkelijk soepel (lucifers mochten mee, flessen water mochten mee) en het fouilleren was een lachertje. Om je dat laatste voor te stellen klop je jezelf even met je vlakke hand op je middel, en dan op je dijbeen. Dat was het! Het ging allemaal prima dus.

De vakantie is maar kort; in september begin ik met het schrijven van mijn Master-thesis bij een bedrijf in Düsseldorf. Daarvoor ben ik nu bezig met een kamer, ik heb een nieuw pak nodig, en ik ben me aan het inlezen in het onderwerp. Voorbereiden dus. Mooi verhaal trouwens. Ik ging op de universiteit naar het International Office om nog wat dingetjes na te vragen over het gaan naar het buitenland.

De man die me ontving begon met een hele preek. Hoe durfde ik het te wagen alles wat ik kwam vragen, niet al te weten? Was ik niet naar de Wil Weg Weken (info en promotie over in het buitenland studeren) gegaan? Hoe dacht ik aan een kamer te komen? Waarom heb je je beurs nog niet geregeld? Etcetera, etcetera. Ik ging zijn kantoor uit met een vaag gevoel dat alles mislukt was met mijn thesis.

Toen ik me ging verdiepen in zijn kritiek, kwam ik er achter dat dat allemaal best wel meeviel. Het bedrijf dat ik belde voor een kamer meldde dat ik toch wel heel vroeg was (terwijl de universiteit meende dat dat nooit meer ging lukken). Een studiebeurs is een schijntje, en kost tien miljoen jaar om te regelen (dus laat maar), de opdracht is al rond en goedgekeurd en nee, ik ga mijn kamer niet onderverhuren.

Ergo, alles is geregeld. Ik vermoed dat de man van de uni normaliter alleen complete mongolen over de vloer krijgt. Een jaar van te voren beginnen met de voorbereidingen? Fuck dat! Ik begon in januari, en dat was alleen omdat het bij een groot bedrijf allemaal wat langzamer gaat. Ik heb me tot aan juni misschien drie volle dagen ingespannen om alles rond te krijgen? Vier zou veel zijn. Het hoeft allemaal niet zo veel tijd te kosten.

Maar even los van al dat gedoe, ik ben terug! Uit Ghana! Yes! Ik mis het land wel een beetje soms, zeker als ik foto’s terug kijk. Maar het is hier ook wel fijn hoor. Goede wegen! Geen corrupte politie! Niet uren onderhandelen over elke boodschap! Hoera!

Voor de mensen die ze nog niet gezien had, ik heb foto’s online gezet, en een compilatie-filmpje gemaakt. Hieronder staan de linkjes.

Voor het filmpje een waarschuwing: hij is errug groot. Mocht ie dus heel traag spelen, gebruik dan de link onder het filmpje (rechtermuis, opslaan als) en download hem eerst voor je kijkt. Je hebt QuickTime nodig.

De volgende keer dat ik een stukje schrijf, is dat waarschijnlijk vanuit Duitsland. Bis lederhosen!