Sowieso, een shitload aan souveniers, foto’s (2142 so far!) en verhalen. Zo ook de volgende.
We zijn gisteren en vandaag (het is hier al avond, remember?) naar Mount Emei geweest. Da’s een berg hier in de buurt, 3.000 meter hoog, met een heel groot Buhdda beeld er bovenop. Echt briljant om te zien en mee te maken. Maarja, dan moet je er eerst komen.
Eerst met de groepsbus naar de voet van de berg. Er moest onderweg nog gelunchd worden, we vertrokken iets te laat, etcetera. Kortom: haast! In de suicidale rit die toen volgde ben ik op een gegeven moment uit pure ellende maar achterin gaan zitten. Er zijn maar zoveel bijna-ongelukken die een mens kan behappen voordat hij knapt. Voeg daar aan toe de kettingbotsing waar we langsreden (en dat was echt geen pretje) en je kan je je misschien voorstellen dat ik me achterin de bus “opsloot” met mijn iPad, muziek en zo min mogelijk naar buiten kijken.
Eenmaal bij de berg aangekomen had ik een gelukje. Ons Chinees contactpersoon, Jerry, kon drie mensen mee naar boven rijden. De rest moest met de busjes. Ik riep het hardst shotgun en voor ik het wist zoefde ik in een comfortabele, verlengde, diep donkerblauwe BMW5 de berg op.
Bovenaan gekomen was het even schrikken. Op de betreffende hoogte (2300 mtr) hangen wolken. Kortom, het was er nat, vies en steenkoud. Daarbij kwam, in het hotel was het niet warmer dan buiten. Letterlijk, je voelde gewoon geen verschil tussen binnen en buiten staan. Hardop stuurde ik klaag-smsjes naar vrienden, die terecht terugstuurden dat ik niet moest zeiken. Maar, met een kamertemperatuur van twee graden vond ik wel dat ik een klein beetje mocht piepen.
De avond verliep langzaam, en koud. Ondanks het electrische deken (meer: de electrische streep, want maar een kwart van het deken deed het) sliep ik niet heel erg goed. De reden? De schimmel tussen de lakens, de hurkwc’s met de poepstrepen er nog in en de lange zwarte haren op mijn kussen. Maar ik heb een paar uurtjes kunnen slapen, en dan was nodig, want ik moest vroeg op.
De volgende morgen was het weer een stuk beter. De wolk was weg, en ik kon verder dan twintig meter voor me uitkijken. Nou ja, het was nog steeds 06:00 dus je zag geen steek. Maar toch.
De tocht naar boven sla ik over voor de volgende keer. Eenmaal boven, boven de wolken, precies met zonsopgang. Daar sta je dan. Naast een Buhdda-beeld van dertig meter hoog. Uitzicht tot aan het einde van de wereld. Een zee van wolken, met daarboven een zon. Een zon die ongehinderd door mist, smog, wolken of regen ongekend fel in je gezicht schijnt. Ongelofelijk. De foto’s doen het helaas absoluut geen recht, en de filmpjes ook niet. Je had er bij moeten zijn zeg maar.
Nu is het avond, zondagavond. Mijn koffer is gepakt, ik luister naar Nina Simone (zonder dollen: het nummer heet “here comes the sun”) terwijl ik dit stukje tik. Ik scoor zo nog een paar biertjes aan de bar, ik controleer mijn koffer en ik doe een tukje. Morgen de laatste dag in China, en dan weer op weg naar huis. Geloof het of niet, ondanks alle avonturen, terwijl de anekdotes-machine overuren draait, zou ik graag weer thuis zijn. In mijn eigen bureaustoel, het saaie uitzicht en het platte landschap. Ik ben moe. Maar ook voldaan, en dat telt.
