De film, deel 2

Om de haverklap is het weer zover. Een nieuwe film is uit. De bioscopen hebben het er maar druk mee. Dan BREIN. Met budgetten die immer de pan uitrijzen is het moeilijk overtuigen dat de filmindustrie het zo zwaar heeft. Een budget van tweehonderdvijftig miljoen dollar voor een slappe actiefilm, en beweren dat piraterij de filmindustrie om zeep helpt. Dan ben je een regelrechte leugenaar, of niet goed bij je hoofd.

Waar de filmindustrie op lijkt te bezuinigen zijn scriptschrijvers. Die moeten al knokken om hun centen, getuige de protesten een tijdje terug, maar ze zijn er niet op vooruit gegaan. Het ene vervolg na het andere wordt uitgebracht. Deel twee èn deel drie inderdaad; ik weet wat ik schrijf.

Die vervolgdelen zijn doorgaans een slappe herkauw van het eerste deel. Daar de fantastische Spinnenman (vroegâh werd alles vertaald) in deel één de vijand verslaat èn een wijze levensles leert hoop je dat een vervolg uitblijft. Het verhaal is af, met een mooi staartje om zelf over door te fantaseren. Maar neen; in deel twee komt een nieuwe slechterik kijken en ontdekt Peter Parker nog maar eens een keertje een brave maar slaperige kijk op de wereld. Een bekende variant hier op is “trauma verwerken”. Op magische wijze krijgt de zelfmoord van die-of-die “een plekje”, puur en alleen omdat Boris Boef achter de tralies zit. Zelfs de Vleermuisman ontsnapt hier niet aan. Het gaat er in Gotham City alleen wat bombastischer aan toe.

Dat men zulke vervolgen uitbrengt is niet vreemd. Er kunnen bakken met geld mee verdiend worden en niemand zou zoiets afslaan. Ook The Matrix was hier een slachtoffer van. Deel twee en deel drie kwamen tot een onvermijdelijk einde; de lat om te ontsnappen uit de “matrix” werd in deel 1 te hoog gelegd. Een geïmproviseerde supervijand en dito “vrede” konden niet voorkomen dat ik een beetje treurig uit de bioscoop stapte.

Toch hoopte ik op verbetering. Immers, het is een keer “op” toch? Marvel pakt het al slimmer aan door een soort canon te schrijven over de superhelden van Stan Lee. Losstaand, maar toch verbonden. Ik durf het niet te Googlen, maar zolang ik niet weet dat The Avengers 2 er aan komt ben ik hoopvol over deze onderneming.

Dat hoopvolle is er verder wel een beetje vanaf. Ik hoef maar één filmtitel te noemen: Titanic. Kijk, een remake is één ding. Een nieuwe kijk op een goede film kan helemaal geen kwaad; ik heb me best vermaakt met Ocean’s 11 (de remake). Hoewel de nieuwe “The Italian Job” qua beeld een dertien-in-een-dozijn rolprent was, ging het verhaal verder dan de gebruikelijke “pief paf poef”.

Maar dan Titanic! Schaamteloos dezelfde film. Om ons af te leiden van het feit dat we (a) al weten hoe het afloopt en (b) dat we nog een keer grof geld neerleggen voor exact dezelfde beelden, zien we regisseurs, producers en recencisten elkaar om het hardste nakwijlen over de 3D effecten waarmee de film is opgepoetst. Zelfs astronoom Neil deGrasse Tyson liet zich voor het PR karretje van regisseur James Cameron spannen. Eindeloos vertelde hij over de verkeerde sterrenlucht in het platte origineel, terwijl Cameron met dezelfde anekdote nog eens bewees wat een pietje precies hij wel niet is. Dat is hij ook; hij weet dondersgoed hoeveel geld deze herhaling hem op gaat leveren.

Ook Disney bracht dezelfde koddige leeuw nu eens in drie dimensies terug op het witte doek. Ondertussen is er niemand die durft te zeggen dat alleen onze kindernostalgie de film populair houdt. Slimme PR van Disney, dat dan weer wel.

Eigenlijk vind ik dat hier een ontzettend dieptepunt is bereikt. Bioscopen hebben het moeilijk. Goh, zou het? Ze zijn het slachtoffer van een industrie die nu letterlijk niet meer in staat is om een nieuw verhaal te verzinnen. Binnenkort komt vast de 3D versie van Bridget Jones’s Diary op het grote scherm.

Nieuw is het allemaal niet. George Lucas gaf zijn oude Star Wars films een digitale optater (met Hayden Christensen als grijnzende pedofiel in nummer zes) en Spielberg had het lef om E.T. net zolang onder een puriteins filter te leggen tot zelfs de pistolen in walkie-talkies veranderden.

Ondanks alles hoop ik toch dat de heren in Hollywood ooit tot inkeer komen en beginnen met het maken van goede, originele en éénmalige films. Ik ben geduldig: er worden nog veel films gemaakt die wèl de moeite waard zijn. Ga maar eens in het filmhuis kijken.

Ik hoop dat ze het laten om dáár remakes van te maken. Ik zie het al voor me: “Intouchables”, met Al Pacino, Will Smith en een feel-good einde dat de hoofdrolspeler toch weer kan lopen. Ieks!

Het weer

Er is een boel non-nieuws op de radio. Een paar weken geleden nog (tijdens de nu mislukte Catshuisoverleggen) ging het twintig minuten lang over de fiets van Rutte. Twintig minuten! Wat was er namelijk gebeurd? Een bode had het ding buiten gezet: Rutte gaat weg! Er gebeurt iets! Paniek!

Na veel heen en terug met de studio in Hilversum bleek dat Rutte nooit ter plekke was. Hij geeft donderdag les op een ROC en stond met een krijtje in zijn hand uit te leggen hoe makkelijk journalisten voor het lapje te houden zijn. Waarvan akte.

Wat me irriteert is nieuws over het weer. Niet het weer zelf. Dat is wel handig. Maar het nieuws er over, ongelofelijk. Het kan vriezen of dooien, simpel toch? Neen: wat er ook aan de hand is, het “weerbeeld” is raar voor de tijd van het jaar.

In de lente is het te warm. Of te koud. In de winter idem dito. Zomers zijn te nat of te droog, en de herfst heeft ook wel wat te piepen. Af en toe neemt dat extreme vormen aan. Dat heet dan Elfstedenkoorts, en is óók nieuws!

Per definitie is de natuur bij dergelijk nieuws “in de war”. Vogels leggen hun eieren niet meer in mei, krokussen komen verbaasd op terwijl de kerstverlichting nog hangt, dat soort dingen. Elke keer is het weer nieuws. Groot nieuws zelfs. Zelfs de NOS opent hun radiojournaal er mee, en dat verwacht je niet van zo’n instituut.

Je zou denken dat de natuur er inmiddels wel aan gewend is dat de ene winter wat warmer is dan de andere, of dat het weleens véél regent in de lente. Bovendien hoop je ook dat wij, de Mensch, nu wel weten dat het weer moeilijk te voorspellen is. Maar dat is niet zo. Elke drie maanden staan de kranten er weer bol van. Warme zomer! Extra koude winter! Spannend! En dan de natuur, die arme natuur! Snel overschakelen naar twee verbaasde duiven die beteuterd naar hun nestje eieren kijken. Premature ejaculatie in het dierenrijk. Daar kan Midas Dekkers vast nog wel een leuke column over schrijven.

Om het interessant te houden moeten we eigenlijk terug naar de human interest. Trek een mooi meisje een kek zomerjurkje aan, en zet haar op een schaatsbaan. Vertel me dan dat het deze winter wel erg warm is, “gemiddeld”. Daar zou ik naar kijken. Want vroegbloeiende narcissen, die heb ik ondertussen wel gezien.

Gebakken lucht

Heel Nederland stond weer op zijn kop. “Bangalijsten”, wat was de hype nu weer? Iets met seks? Whatever. De NOS was vlug genoeg om gauw nog even “sociale media” mee te nemen in hun nieuwsberichtje, en dat is veel belangrijker.

Terwijl de rest van Nederland met de gedachten alweer bij het filenieuws was, bleven de meeste (conservatieve) clubjes nog even doorzaniken over dit “nieuwe oude” fenomeen. Mannen die vrouwen keuren, dat lijkt me niks nieuws toch? Ik weet nog wel waar ik over dagdroomde op de middelbare school. Hint: niet de lesstof.

De kritiek op die organisaties, die een soort jaren ’50 beeld hebben van meisjes (onschuldige popjes die maagd blijven tot het huwelijk) en jongens (seksbeluste hormoonbommen) wil ik nu even overslaan. Daar valt genoeg over te lezen als je handig kan Googlen. Bovendien zijn er rellen over het meisje dat zelfmoord gepleegd schijnt te hebben naar aanleiding van zo’n lijst. Allemaal niet zo fijn. Daarom gaat het vandaag over “zoosjal miedieja”.

Sociale media zijn zo’n heerlijk onderwerp waar bijna heel Nederland geen donder van snapt. Moeders gaan aarzelend Facebook’en, sommige ooms en tantes hangen nog op Hyves rond en politici laten hun materiedeskundigen kekke opmerkingen Twitteren. Zelfs Wilders laat zich zijn uitspraken door een duur PR-bureau influisteren. Of dacht je echt dat hij zelf zo vlot was elke keer? Kortom, iedereen is er mee bezig!

Ik ga echt niet uitleggen wat het allemaal is. Zoek een handig neefje en laat je je een Facebook-account aanpraten. Bedenk je wel: wat je ook online zet, het staat er voor eeuwig.

Wat het vooral niet is, daar wil ik het eens over hebben. Want het wordt nogal een hype allemaal, en dat is nergens voor nodig. Laten we eens wat minder zwaar aan social media tillen.

Facebook: behalve iedereen toevoegen die je kent, is het ook handig om in contact te komen met klasgenoten van vroeger, oud-collega’s en verre vrienden. Mwoah. Beter kan je je afvragen of al die mensen wel zo interessant zijn. Zat jij ook in het bankje achter het mooiste meisje van de klas? Inmiddels weegt ze 800 kilo en heeft ze 7 kinderen. De wildebras die met gym alles durfde zit nu veilig ergens in het middenmanagement. De ontluikende hippie (die je stiekem bewonderde om haar felle mening over de bioindustrie) woont nu in een communie en ruikt een beetje naar maïszeep. Wel fijn: je oude pestkop is assistentmanager bij de Konmar.

Vroeger kwam je daar op een tienjaarlijkse reünie achter, en kon je thuis veilig bijkomen onder het genot van een fles wijn. Met een sociaal netwerk zoals Facebook word je 24/7 met ze geconfronteerd.

Dan maar de jeugd toevoegen als “vriend”. Neefjes en nichtjes enzo. Geen goed plan! Mensen onder de zestien posten doorgaans alles op Facebook. Alles. Incrowd grapjes voor klasgenoten, slecht geschoten telefoonfoto’s (extra slecht dankzij een “mooi” Instagram kleurenfilter), en elk spelletje dat ze ooit gespeeld hebben stuurt je digitale koeien voor je virtuele boerderij. Je liket je een ongeluk.

Twitter dan maar? Dat is helemaal drama. Bijna niemand is het volgen waard. Ik weet in ieder geval dat mijn tweets zelden spannend zijn. Websites moet je sowieso niet volgen. Die posten elk nieuwsberichtje op twitter, als een soort veredelde dorpsomroeper. Voor jezelf is het het leukst als je Twitter ook zo gebruikt: gewoon af en toe eens de wereld ingooien wat je allemaal doet. Hou het wel leuk, en lekker licht.

Maar zelfs als mensen jouw updates gaan “volgen” op Twitter ben je er nog niet. Twitter is voornamelijk eigengeilerij. Mensen die jou gaan volgen, moet je wel terugvolgen. Het is net als met Kerstkaarten. Zo vroeg mogelijk in het jaar (liefst begin november) krijg je een Kerstkaartje van tante Bertha. Stuur je er géén terug, krijg je het jaar daarop niets. Als iemand jou volgt, moet je hem of haar natuurlijk wel terugvolgen. Anders is het niet eerlijk. Ofzo.

Toen ik vroeger klein was, ging ik met mijn ouders vaak naar de dierentuin. Burgers Zoo, hier in Arnhem. De apenrots was mijn favoriete plek na de tijgers. Ik vond het bijvoorbeeld ontzettend leuk om te zien dat die beesten in hun blote (!) billen rondliepen. Blote! Billen! Daar ben ik nooit vanaf gekomen; ik heb nog steeds een voorliefde voor blote billen.

Hoe dan ook, het allerleukste was het toch wel als één van die apen begon te schreeuwen. Welhaast zonder pauze begon de rest ook. Nog voor mijn vader me had opgetild (ik kon niet over het muurtje kijken) zat de hele rots zo hard mogelijk te krijsen en te springen.

Op Twitter heet dat “retweeten”.

Hyves is uit. De welhaast onzichtbare maar onvermijdelijke exodus naar Facebook was een zichzelf versterkend effect. Iedereen zit daar! Kortom, geen tijd in steken, tenzij je aan 12 jarigen en trage oma’s marketeert. Hyves is dus vooral een heleboel niet. Als echte nerd kan ik je tevens vertellen: er voor programmeren is óók een drama.

Nieuw is Google+. Het zit briljant in elkaar, maar het vereist denkwerk, en dat schrikt af. Iedereen zit ook nog eens op Facebook, en daar is het allemaal “opt-in”. Upload je leven en wij suggereren met wie je allemaal bevriend zou moeten zijn. Google+ zit een stuk lastiger in elkaar. Kan je ineens niet iedereen lastig vallen met je updates, moet je verdorie aangeven wie ze mag zien. En dan is het nog maar de vraag of ze het ook daadwerkelijk lezen, want ze kunnen jou ergens in een hoekje wegzetten en daar merk je niks van.

Google+ is voor mensen die meer luisteren dan praten. Niks voor mij dus.

Al die social media; uiteindelijk schiet je er niet veel mee op. Als bedrijf heb je precies één seconde omTE LAAT! om de aandacht van je volgers te trekken. Want met 400 anderen dringen om een plekje op het prikbord van jouw volgers, is dat wel efficiënt?

Het is niet zo gek dat steeds meer mensen er mee kappen. Als je wil weten hoe het met ze gaat, dan bel je ze maar gewoon. Desnoods een e-mailtje. Ook bedrijven zijn steeds meer “social media moe”. Liever bouwen ze gewoon een fijne website. Eentje die helder in elkaar zit. Zonder tientallen knopjes en dingetjes. Met een telefoonnummer, en een e-mailadres. En af en toe schrijft de baas een nieuwsberichtje. Met spelfouten die niemand verbetert.

Binnenkort zie je het op de werkbusjes. Weg met “Like ons op Facebook!”. In de toekomst lees je: “Loodgieterij Van Amstel: Zonder gebakken lucht.”.

SOPA

De laatste keer dat ik écht klaagde op mijn weblog is toch alweer een tijdje terug. Natuurlijk, ik piep weleens over fietsen, Duitsers, werk en de uni, maar dat tèlt toch niet helemaal. Het zijn van die first world problems, het heerlijke verschijnsel dat het beste valt te beschrijven als “problemen van verwende Westerlingen”. Of het volgende ook als een “first world problem” gezien kan worden weet ik niet, maar het moet me toch even van het hart.

De afkorting SOPA komt je misschien wel bekend voor. De Stop Online Privacy Act is een poging van Amerikaanse mediabedrijven om software- en muziekpiraterij tegen te gaan. Het grootste kritiekpunt is het wegsnijden van de rechterlijke macht uit het proces: een wijzend vingertje is onder deze wet is genoeg om websites compleet plat te leggen en te laten verdwijnen uit zoekmachines.

Dat heeft niet alleen invloed op het voor velen zo bekende concept van “freedom of speech”, het is je reinste internetcensuur. Tim Cuijk, de baas van Brein, lijkt me iemand die maar wat blij zou zijn als een dergelijke wet er ook in ons landje zou komen. Niks trias politica. Bovendien zijn de maatregelen uiterst zinloos. Behalve de (makkelijk) te omzeilen technische maatregelen (dankzij de open natuur van het internet) is de wanhopige poging van de entertainmentindustrie om hun verlopen verdienmodel in de lucht te houden gedoemd te mislukken. Net als destijds de video, het cassettebandje en de grammofoonplaat hoeft het internet echt geen einde te betekenen voor geld verdienen met media. De opbrengsten van de film Avatar bijvoorbeeld brachten genoeg geld in het laatje om Harry Potter 7.1 én 7.2 meer dan vier keer te filmen. Ondanks het feit dat die films flink gedownload werden, bleef er nog een aardig zakcentje over. Daarnaast kennen we de Amazon, Apple en Google markten, waar je voor een kleine bijdrage muziek kan aanschaffen. Dan is daar ook nog Spotify, waar je zelfs gratis naar al je lieverlingsmuziek kan luisteren.

Die censuur is niet mijn probleem met SOPA. Maddox zegt het beter dan ik. Het slacktivism stuit me ook tegen de borst: kom, we tekenen een petitie en trekken onze website plat, dat zal helpen! Verder doen we niks. Eerlijk is eerlijk, de publieke opinie rondom SOPA is veranderd, ten goede, maar gaan we elk jaar websites platgooien en volksvertegenwoordigers bellen? Nu over twee jaar zijn er nog drie pogingen gedaan om een wet (zoals) SOPA door te drukken, en tegen die tijd is iedereen het protesteren wel moe. Je kan maar zoveel internetpetities tekenen voordat zelfs dat (ultiem luie) gebaar je teveel wordt.

Erger vind ik de hypocrisie van partijen die zich tegen SOPA hebben uitgesproken. Het is censuur! Het internet is vrij! Zelfs Sergey Brin, een van de oprichters van Google, vergeleek SOPA met de internetcensuur van China. Gek toch, terwijl Google in China actief meewerkt aan de censuur die de overheid toepast op hun staatsburgers. Niet alleen in China zijn ze actief. Google News trok een heel rijtje sites uit hun zoek-index nadat ze materiaal gelekt via Wikileaks op hun website plaatsten. Later kostte één van de betreffende sites dat ook hun YouTube kanaal, ondanks het feit dat het materiaal elders ook gewoon op YouTube stond.

Met als beste argument “for the children” blokkeert Apple routinematig pornografische applicaties uit haar App Store. Het Duitse blad Stern kreeg haar applicatie niet door de censuur heen, het zou toch ietsje te sexy zijn. Gek toch, want het blad kent geen leeftijdsgrens. Een applicatie met kritische cartoons kwam pas door de censuur heen toen de tekenaar een Pullitzer won. Maar ook de Dalai Lama applicatie haalde de virtuele schappen nooit, op verzoek van de Chinese overheid. Een Palestijnse applicatie mocht niet van de Israëlische overheid, en werd derhalve geblokkeerd. Elke dag honoreert Google takedown verzoeken van de Amerikaanse overheid vanwege filmpjes die kritisch zijn over de overheid. Het zijn niet alleen muziekvideo’s die geblokkeerd worden.

Het Amerikaanse Department of Homeland Security haalt nu al sites van het internet als ze te kritisch zijn. Kijk maar naar MegaUpload. Die is sinds een dag of wat verdwenen vanwege “piraterij”. Wanneer de duizenden betalende klanten weer bij hun documenten kunnen is nog maar de vraag. Die zijn inmiddels in handen van de overheid. Fijn! VeriSign, die onder andere grote DNS servers draait, heeft in het verleden sites van het web gehaald zonder dat daar een rechter bij kwam kijken.

Terwijl het kantoor van de Amerikaanse president zich uitspreekt tegen SOPA, Google een mooie gecensureerde website laat zien en vele sites en organisaties hun websites uit protest uit de lucht halen, zijn dergelijke censuurpraktijken al jaren aan de gang. Facebook blokkeert links naar The Pirate Bay, omdat het “unsafe” zou zijn. Een link naar Astalavista kan dan weer wel, en die site staat pas echt vol porno en spyware. Google maakt je zoektermen niet eens af, als je muziek wilt downloaden. VISA en MasterCard blokkeerden het betaalverkeer van Wikileaks, terwijl de organisatie nergens om was veroordeeld, laat staan dat er een aanklacht was. Digg kreeg een takedown notice (en ging er in mee) toen slimme jongens de code plaatsen waarmee je DVD’s kan ontcijferen.

Waarom zijn we zo kritisch op overheidscensuur (hier in Nederland: via Brein) terwijl grote bedrijven diezelfde praktijken al jaren toepassen zonder dat er een haan naar kraait?

Addendum: Toen ik dit schreef waren zowel SOPA als PIPA nog niet afgeschoten. Inmiddels is dat wel zo. Echter, ik vermoed dat ze onder een andere naam binnenkort terug komen.

Op naar het volgende land

Inmiddels ben ik weer veilig terug in Nederland. Wennen aan het weer (de regen is koud!), alle was gedaan en nu nog even vakantie.

De vlucht van Accra (via Casablanca) was lang maar ging opvallend soepel. Ik had er een hard hoofd in toen we gingen. Systemen lagen plat, lange rijen en geen boarding pass voor de overstap naar Amsterdam. Maar de douane was verschrikkelijk soepel (lucifers mochten mee, flessen water mochten mee) en het fouilleren was een lachertje. Om je dat laatste voor te stellen klop je jezelf even met je vlakke hand op je middel, en dan op je dijbeen. Dat was het! Het ging allemaal prima dus.

De vakantie is maar kort; in september begin ik met het schrijven van mijn Master-thesis bij een bedrijf in Düsseldorf. Daarvoor ben ik nu bezig met een kamer, ik heb een nieuw pak nodig, en ik ben me aan het inlezen in het onderwerp. Voorbereiden dus. Mooi verhaal trouwens. Ik ging op de universiteit naar het International Office om nog wat dingetjes na te vragen over het gaan naar het buitenland.

De man die me ontving begon met een hele preek. Hoe durfde ik het te wagen alles wat ik kwam vragen, niet al te weten? Was ik niet naar de Wil Weg Weken (info en promotie over in het buitenland studeren) gegaan? Hoe dacht ik aan een kamer te komen? Waarom heb je je beurs nog niet geregeld? Etcetera, etcetera. Ik ging zijn kantoor uit met een vaag gevoel dat alles mislukt was met mijn thesis.

Toen ik me ging verdiepen in zijn kritiek, kwam ik er achter dat dat allemaal best wel meeviel. Het bedrijf dat ik belde voor een kamer meldde dat ik toch wel heel vroeg was (terwijl de universiteit meende dat dat nooit meer ging lukken). Een studiebeurs is een schijntje, en kost tien miljoen jaar om te regelen (dus laat maar), de opdracht is al rond en goedgekeurd en nee, ik ga mijn kamer niet onderverhuren.

Ergo, alles is geregeld. Ik vermoed dat de man van de uni normaliter alleen complete mongolen over de vloer krijgt. Een jaar van te voren beginnen met de voorbereidingen? Fuck dat! Ik begon in januari, en dat was alleen omdat het bij een groot bedrijf allemaal wat langzamer gaat. Ik heb me tot aan juni misschien drie volle dagen ingespannen om alles rond te krijgen? Vier zou veel zijn. Het hoeft allemaal niet zo veel tijd te kosten.

Maar even los van al dat gedoe, ik ben terug! Uit Ghana! Yes! Ik mis het land wel een beetje soms, zeker als ik foto’s terug kijk. Maar het is hier ook wel fijn hoor. Goede wegen! Geen corrupte politie! Niet uren onderhandelen over elke boodschap! Hoera!

Voor de mensen die ze nog niet gezien had, ik heb foto’s online gezet, en een compilatie-filmpje gemaakt. Hieronder staan de linkjes.

Voor het filmpje een waarschuwing: hij is errug groot. Mocht ie dus heel traag spelen, gebruik dan de link onder het filmpje (rechtermuis, opslaan als) en download hem eerst voor je kijkt. Je hebt QuickTime nodig.

De volgende keer dat ik een stukje schrijf, is dat waarschijnlijk vanuit Duitsland. Bis lederhosen!

Ontwikkelingshulp anno nu

Af en toe kom je ze nog tegen. De echte digibeten. Echte alpha’s, mensen die niks hebben met wiskunde, natuurkunde, computers of überhaupt maar met sommetjes in het algemeen. Daar is niks mis mee. Het woord digibeet klinkt misschien een beetje vervelend, maar het is natuurlijk lief bedoeld. Immers, die zitten er ook bij.

Vandaag trof ik er echter eentje waar ik echt de kriebels van kreeg. Brrrr!

Van de zomer ga ik naar Ghana. Drie weken, een project voor de universiteit, om daar te helpen met computers. Nou krijgen we tot die tijd college van een vrouwtje van (volgens mij) de sociale faculteit. Lief mens hoor, vast, maar ik kan haar echt niet meer serieus nemen.

Dat begon een paar weken geleden. Een college over “lokale kennis”. Dat is het verschijnsel dat mensen nou eenmaal veel weten van hun land, hun omgeving, en de mensen die er wonen. Nou is dat al niet bepaald rocket surgery, maar zoals zij het vertelde… Ik kreeg weer helemaal beelden van die arme Afrikaanse negertjes waar wij oh-zo goed bedoeld onze melkplas dumpten in de vorm van melkpoeder. Van die zielige oedeembuikjes die wij denken een plezier te doen met onze afgedankte Wibra-broeken. Ik kreeg van haar sterk de indruk dat ze Afrika ziet als één grote Hoekele-Boekele stam die bloot rondloopt en in rieten hutjes leeft.

Het is niet zo heel gek dat als je ergens woont (een generatie of acht miljoen), dat je dan verstand hebt van het land waar je leeft. Je staat niet meer gek te kijken van een regenseizoen. Bovendien heb je dan echt wel in de smiezen wanneer het handig is om gewassen te planten, welke slangen je niet moet pesten met een stok, en hoe je met het beste met elkaar kan gaan zodat alles een beetje vredig blijft.

Als je daar over nadenkt, geldt dat natuurlijk voor iedereen. In Afrika, in Azië, maar ook gewoon in ons koude kikkerlandje. Ik ben in elk geval niet zo gek om in de winter in een korte broek de deur uit te gaan. Ik wéét dat het dan steenkoud is. Bovendien rijden de treinen toch niet als het sneeuwt. Ik ken de openingstijden van mijn lokale Albert Heijn uit mijn hoofd, ik kan zwervers vriendelijk doch dringend afslaan, en ik weet dat het niet heel handig is om “wollah jongeh, doe mij een hijsje!” naar een willekeurige capuchonscooter te roepen. Is dat niet ook gewoon “lokale kennis”, opgedaan door “de lokale bevolking”? Sure, het is niet zo down-to-earth als in een ontwikkelingsland maar feitelijk niet anders dan haar Afrikaanse voorbeelden.

Daar moest ik dus al even van bijkomen, want terwijl ik me dit bovenstaande zat te bedenken, zat deze mevrouw door te emmeren over de “indigenous people” en hoe knap het was dat ze in het goede jaargetijde de zoetste knollen uit de grond wisten te graven. Nou, gefeliciteerd. Zet mij een paar jaar in West-Afrika, en dan lukt me dat ook wel. Andersom trouwens ook. Het handjevol Afrikanen dat hier op de universiteit rondloopt weet doorgaans beter hoe laat lijn 10 rijdt dan ik.

Terug naar vandaag. Een college over ICT en onderwijs. Over hoe ICT het onderwijs kan helpen en zulks. Dat begon al met zulke kritische vragen (van haar) als: “wat heb je aan ICT als je zes kilometer moet lopen voor water?”. Nou, ik weet het niet, maar ik beweer ook niet dat je dan wat aan ICT hebt. Ah fijn, ze begon ons te vragen naar onze computerkunde, respectievelijk op de basisschool, de middelbare school en daarna. Ik was zo stom om te vertellen dat ik op de basisschool al zat te programmeren achter een oude (maar toen hagelnieuwe) 486.

Daar kon ze al niet met de pet bij. Dat kinderen dat voor hun lol deden. Ze ging er verder niet op in, dus ik dacht dat ik goed zat. Tot ze bijgekomen was van mijn antwoord, want toen begon ze met een onschuldige vraag aan de groep: “dat doen ze toch niet meer hè? Kinderen leren programmeren op school?”. Iedereen antwoordde ontkennend, en dat was maar goed ook. Er volgde een heel verhaal over dat dat maar onzin was, bla-die-bla, terwijl ze in één adem zei dat ze toch wel graag zou zien dat alle kinderen tienvingerig leerde typen op school. Ik wilde nog opperen dat ze eerst maar eens moesten leren spellen, maar ik zei maar even niks.

Door naar de social media, of zoals zij het noemde “zosjal miedie-ja”. De enige jongen in de klas die niks met Facebook had werd de hemel ingeprezen. Fair enough. Vervolgens kwam er een hele anekdote over hoe zij samen met drie docenten in een collegezaal, de enige was zonder Hyves. “Hah!”, riep ze gekscherend, “we waren de enige zonder vrienden!”. Ook nu hield ik wijselijk mijn mond maar dicht.

Na de pauze ben ik niet teruggekeerd. Niet omdat ze, ongehinderd door enige vorm van kennis, zo over computers stond te kletsen, nee. Daar kan ik wel tegen. Dat zie ik vaker. Maar dat hele Afrika-verhaal? Ze was bloedserieus! Ze gaat al jaren naar allerlei Afrikaanse landen, om ontwikkelingshulp te geven! Denkt ze echt zo over de bevolking daar?

Ik vind het ineens niet vreemd dat onze ontwikkelingshulp daar bar weinig bijdraagt. Ze zien ons aankomen zeg. Dan hoop ik toch dat Tim en ik het beter gaan doen straks.

Reclames

Ik heb geen TV. Al jaren niet meer. Heerlijk. Je mist er echt niks aan. Films kan je downloaden, leuke series kijk je via Uitzending Gemist (of die download je ook) en het nieuws pik je via internet mee. Sneller en nog relevanter ook.

Af en toe levert dat grappige situaties op. Ik zat laatst ergens TV mee te kijken, en er kwam een briljante reclame voorbij. Ik lag in een scheur! De andere keken me wat meewarig aan. “Die is al weken op TV hoor.“. Tja, wist ik veel.

Vroeger, als wij thuis TV keken, ging tijdens de reclames het geluid uit. Een verademing. Vooral omdat het geluid tijdens reclames veel harder lijkt. Dat is overigens niet zo, dankzij wat trucjes lijkt het geluid uit je speakers te brullen. Maargoed, geluid uit dus. Dat zie ik tegenwoordig niemand doen. Elke keer als ik een keertje met mensen mee-zap, blijft die herrie doorlopen. Vaak blijven ze nog kijken ook. Bij ons ging het geluid uit, er ging er eens ééntje naar de WC en ondertussen babbelden we wat of bladerden we door de TV-gids. Dat zie je echt nergens meer. Het is net als stroopsoldaatjes, of in je blootje in het opblaaszwembad in de achtertuin. Relikwieën uit mijn jeugd.

Ik gok dat zo’n 90% van mijn lieve lezers TV kijkt. Ik kan ze dus niet al te hard affakkelen. Ik bedoel, een beetje ranten is leuk, maar als je zelf het slachtoffer bent? Mwoah. Ik zal dus maar niet doorgaan. Duidelijk mag zijn, dat ik er niet bij kan met mijn hoofd. Negentig procent van de reclames is nog ontzettend slecht ook. Wie wil dáár nou vrijwillig naar luisteren? Kijken is al erg genoeg.

Doe jezelf nou eens een plezier. Flikker dan niet die TV het raam uit (daar was-ie toch al veel te duur voor), maar zet het geluid eens wat vaker uit. Negeer het gewauwel van de gebotoxte reclame-hoofden eens. Pak een boek, check je email, strek je benen of ga eens lekker anders zitten.

Wedden dat TV kijken dan toch nog iets ontspannends wordt?

T-Mobile aan de telefoon

De laatste dagen heb ik vrij regelmatig met T-Mobile aan de lijn gehangen. Niks bijzonders. Nieuwe telefoon (want mijn huidige is echt aan het overlijden), een vergeten betaling (hunnerzijds ;) ), dat soort dingen. Als je goed luistert, of wel vaker met de klanten’service’ van een bedrijf aan de lijn hangt weet je dus precies wat er gaat komen.

T-Mobile: Goedemiddag.
Ik: Goedemiddag, met Sander, ik wil graag (insert vraag).
T-Mobile: Ok, wat is uw mobiele nummer?

Daar begint het al. Mijn mobiele nummer? Ik bel ze nota bene mobiel. Met een nummer van T-Mobile. Mijn telefoon, nog gezegend door De Heer zelve in Jerusalem, kan al het ene nummer van het andere onderscheiden. T-Mobile heeft blijkbaar Chinese kindertjes in hun telefooncentrale zitten en tja, die kunnen geen Arabische cijfers lezen.

T-Mobile: Ter controle, wat is geboortedatum, postcode en huisnummer?
Ik: (Lepel ze allemaal op)
T-Mobile: Meneer Sander dus?
Ik: De enige echte.
T-Mobile: Dan zal ik me ook even voorstellen. Ik ben (bla die bla) en ik sta tot uw dienst.

Dat guitige ‘dan zal ik me even voorstellen‘ hoor je ze allemaal zeggen. Allemaal. Daarna komt nog iets van ‘en ik ben hier voor u‘, of ‘ik sta tot uw dienst‘, of iets anders onzinnigs. Leuk verzonnen door de marketingboys, maar het wordt een beetje afgezaagd.

Plus, ze noemen allemaal hun naam, maar je verstaat ze nooit. Of ze heten Fatima Dachdievaroempadieblageenidee, of ze heten Henk de Vries en er werken zeventien Henken de Vries bij T-Mobile als je er naar vraagt omdat die jongen je toen-en-toen geholpen had. Of natuurlijk de gouwe ouwe ‘die werkt hier niet meer‘. ‘Ja‘ zeg je dan, ‘en ik weet waarom‘. Lachen gieren brullen natuurlijk aan de andere kant van de lijn maar je schiet er niks mee op :’).

Daarna gaat het gesprek gewoon, nou ja, goed. Je ouwehoert wat, je kletst over waar je dan ook voor belt en vooral, je doet zo vrolijk mogelijk. Anders krijg je niks gedaan. Ze krijgen de hele dag zeikende mensen aan de lijn. Vandaag had ik trouwens dit pareltje:

T-Mobile: Hey, ik zie dat u een T-Mobile emailadres heeft.
Ik: Ehm?
T-Mobile: tmobile apestaartje N D E R punt be. Wat leuk, werkt u ook bij T-Mobile?”
Ik: Eh, nee.

Echt te briljant voor woorden. Achteraf bedacht ik me natuurlijk dat ik “Ja” had moeten antwoorden of “Shit je hebt me door” ofzo. Maar ik was niet zo scherp. Na de tweede opmerking van dat meisje was ik zo hard mijn lach aan het inhouden dat ik mijn koffie liet vallen.

Het gesprek afsluiten gaat alsvolgt.

T-Mobile: Bent nu zo naar wens geholpen?
Ik: Yep
T-Mobile: Heeft u nog andere vragen?
Ik: Nope.
T-Mobile: Dan wil ik u graag een fijne dag wensen en bedanken voor het bellen.
Ik: Ok, ajeto!

Een gewoon Hollands “Doei!” “Ja doei!” kan er niet eens meer af. Waar moet het heen ;(.

Voorspelbaar

Je kijkt een film. Op ongeveer twee derde van de film is alles koek en ei. De bad guy is verslagen, de jongen heeft het meisje (of andersom) en de weeskinderen zijn gered uit de brandende schoolbus. Zet de aftiteling maar klaar.

Maar neen! Plots blijkt dat de weeskinderen van de regen in de drup belandden. Een oud probleem duikt de kop weer op de bad guy leeft nog! Wat een verrassing!, of de jongen en het meisje krijgen ruzie over iets compleet debiels (dat ook nog eens totaal uit de lucht komt vallen). Wat het ook is, het probleem is Onoverkoombaar.

Het laatste stuk van de film wordt gevuld met het laten zien dat het probleem toch nog opgelost kan worden dankzij de vereende krachten van de goodguys, of met behulp van de beste vrienden van de hoofdpersoon, die toch nog het meisje weet te scoren. En dan, na een half uur tenenkrommend film kijken, dan toch eindelijk de goede afloop en de aftiteling.

Hollywood, kan dat nou niet eens anders?

Iemand ophalen

Vroeger jongen, deden wij het zonder al die moderne mobieltjes enzo. Toen belden we elkander nog gewoon.

Aldus elke willekeurige senior die ik spreek over telefoons, internet op je mobiel, en wat dies meer zij. Ze vinden het doorgaans niks. Maar het is wel verdomd handig. Zo ondervond ik gisteren, in ieder geval.

Tot vorig jaar een keer had ik een behoorlijk hippe telefoon. Interweb erop, emailen, alles kon. Dat ding ging stuk en nu leen ik de oude van Sjoerd, die Walter daarvoor had, totdat er weer iets tofs uit komt. Bijvoorbeeld de nieuwe iPhone, die waarschijnlijk begin volgende maand wordt aangekondigd.

Dat ouwe ding is niet zo handig. Twitter gaat maar net, Facebook is regelmatig teveel gevraagd en elke keer als ik de webbrowser afsluit, moet ik overal opnieuw inloggen. En ik heb een heel lang wachtwoord, dus dat is erg vervelend. Het weerhoudt me er niet van om te internetten, maar liever niet. Dat kan problemen geven.

Gisteren kwam Peter terug van Curacao. Samen met Kenneth zou ik hem gaan ophalen. ‘s Ochtends checkte ik nog even Facebook en jawel, hij was ingecheckt. Dus ik er heen.

Daar aangekomen zei het bord: “Expected at 22:00″. Het was tien over half elf in de morgen. Ik dacht nog, “mmm, is dat de lokale tijd?“. Dan maar Kenneth sms’en. Die belde verschrikt op: “Ben je er dan? Hij heeft zeven uur vertraging!“.

Kortom, ik kon weer terug. Twee en een half uur in de trein voor niks. Nou ja, niet helemaal voor niks, want ik heb Starbucks koffie gescoord en mijn huiswerk gemaakt. Ik had wiskundesommetjes en die zien er altijd erg ingewikkeld uit. Ik zat in een stiltecoupé, en een meisje tegenover mij begon te bellen. Ze belde niet van “hoe is het nu met oma na de hartaanval en dat tragische ongeval met die zebra?“. Ze belde een vriendin en begon met “wat ben je nu aan het doen?“. Kortom, een gesprek over niks.

Ik zeg tegen haar “Weet je waar je bent?“. “Hoezo?“. “Je zit net als ik in een stiltecoupé, en ik ben hier niet voor niets gaan zitten.“. Ik wijs op mijn sommetjes. Ze trokken al de aandacht van de andere passagiers, dus die had ik in ieder geval op mijn hand. “Als je zo nodig moet bellen, doe dat lekker ergens anders.“. Boos hangt ze op, en gaat ze weg. Vriendelijke knikjes komen mijn kant op. Punten voor mij, weer een goede daad gedaan.

Toch voel ik me wel een beetje sociaal gehandicapt na deze episode. Thuis aangekomen blijkt Peter vrolijk (of nou ja, vrolijk) te hebben doorgegeven dat het nog wel ff kon duren voor-ie aankwam. De meewarige twitter-berichten vlogen me dan ook om de oren. “Ach, ja dat had ik gelezen. Ben je toch gegaan? :’)”.

Gelukkig had ik Starbucks koffie om mijn verdriet weg te drinken.