SOPA

De laatste keer dat ik écht klaagde op mijn weblog is toch alweer een tijdje terug. Natuurlijk, ik piep weleens over fietsen, Duitsers, werk en de uni, maar dat tèlt toch niet helemaal. Het zijn van die first world problems, het heerlijke verschijnsel dat het beste valt te beschrijven als “problemen van verwende Westerlingen”. Of het volgende ook als een “first world problem” gezien kan worden weet ik niet, maar het moet me toch even van het hart.

De afkorting SOPA komt je misschien wel bekend voor. De Stop Online Privacy Act is een poging van Amerikaanse mediabedrijven om software- en muziekpiraterij tegen te gaan. Het grootste kritiekpunt is het wegsnijden van de rechterlijke macht uit het proces: een wijzend vingertje is onder deze wet is genoeg om websites compleet plat te leggen en te laten verdwijnen uit zoekmachines.

Dat heeft niet alleen invloed op het voor velen zo bekende concept van “freedom of speech”, het is je reinste internetcensuur. Tim Cuijk, de baas van Brein, lijkt me iemand die maar wat blij zou zijn als een dergelijke wet er ook in ons landje zou komen. Niks trias politica. Bovendien zijn de maatregelen uiterst zinloos. Behalve de (makkelijk) te omzeilen technische maatregelen (dankzij de open natuur van het internet) is de wanhopige poging van de entertainmentindustrie om hun verlopen verdienmodel in de lucht te houden gedoemd te mislukken. Net als destijds de video, het cassettebandje en de grammofoonplaat hoeft het internet echt geen einde te betekenen voor geld verdienen met media. De opbrengsten van de film Avatar bijvoorbeeld brachten genoeg geld in het laatje om Harry Potter 7.1 én 7.2 meer dan vier keer te filmen. Ondanks het feit dat die films flink gedownload werden, bleef er nog een aardig zakcentje over. Daarnaast kennen we de Amazon, Apple en Google markten, waar je voor een kleine bijdrage muziek kan aanschaffen. Dan is daar ook nog Spotify, waar je zelfs gratis naar al je lieverlingsmuziek kan luisteren.

Die censuur is niet mijn probleem met SOPA. Maddox zegt het beter dan ik. Het slacktivism stuit me ook tegen de borst: kom, we tekenen een petitie en trekken onze website plat, dat zal helpen! Verder doen we niks. Eerlijk is eerlijk, de publieke opinie rondom SOPA is veranderd, ten goede, maar gaan we elk jaar websites platgooien en volksvertegenwoordigers bellen? Nu over twee jaar zijn er nog drie pogingen gedaan om een wet (zoals) SOPA door te drukken, en tegen die tijd is iedereen het protesteren wel moe. Je kan maar zoveel internetpetities tekenen voordat zelfs dat (ultiem luie) gebaar je teveel wordt.

Erger vind ik de hypocrisie van partijen die zich tegen SOPA hebben uitgesproken. Het is censuur! Het internet is vrij! Zelfs Sergey Brin, een van de oprichters van Google, vergeleek SOPA met de internetcensuur van China. Gek toch, terwijl Google in China actief meewerkt aan de censuur die de overheid toepast op hun staatsburgers. Niet alleen in China zijn ze actief. Google News trok een heel rijtje sites uit hun zoek-index nadat ze materiaal gelekt via Wikileaks op hun website plaatsten. Later kostte één van de betreffende sites dat ook hun YouTube kanaal, ondanks het feit dat het materiaal elders ook gewoon op YouTube stond.

Met als beste argument “for the children” blokkeert Apple routinematig pornografische applicaties uit haar App Store. Het Duitse blad Stern kreeg haar applicatie niet door de censuur heen, het zou toch ietsje te sexy zijn. Gek toch, want het blad kent geen leeftijdsgrens. Een applicatie met kritische cartoons kwam pas door de censuur heen toen de tekenaar een Pullitzer won. Maar ook de Dalai Lama applicatie haalde de virtuele schappen nooit, op verzoek van de Chinese overheid. Een Palestijnse applicatie mocht niet van de Israëlische overheid, en werd derhalve geblokkeerd. Elke dag honoreert Google takedown verzoeken van de Amerikaanse overheid vanwege filmpjes die kritisch zijn over de overheid. Het zijn niet alleen muziekvideo’s die geblokkeerd worden.

Het Amerikaanse Department of Homeland Security haalt nu al sites van het internet als ze te kritisch zijn. Kijk maar naar MegaUpload. Die is sinds een dag of wat verdwenen vanwege “piraterij”. Wanneer de duizenden betalende klanten weer bij hun documenten kunnen is nog maar de vraag. Die zijn inmiddels in handen van de overheid. Fijn! VeriSign, die onder andere grote DNS servers draait, heeft in het verleden sites van het web gehaald zonder dat daar een rechter bij kwam kijken.

Terwijl het kantoor van de Amerikaanse president zich uitspreekt tegen SOPA, Google een mooie gecensureerde website laat zien en vele sites en organisaties hun websites uit protest uit de lucht halen, zijn dergelijke censuurpraktijken al jaren aan de gang. Facebook blokkeert links naar The Pirate Bay, omdat het “unsafe” zou zijn. Een link naar Astalavista kan dan weer wel, en die site staat pas echt vol porno en spyware. Google maakt je zoektermen niet eens af, als je muziek wilt downloaden. VISA en MasterCard blokkeerden het betaalverkeer van Wikileaks, terwijl de organisatie nergens om was veroordeeld, laat staan dat er een aanklacht was. Digg kreeg een takedown notice (en ging er in mee) toen slimme jongens de code plaatsen waarmee je DVD’s kan ontcijferen.

Waarom zijn we zo kritisch op overheidscensuur (hier in Nederland: via Brein) terwijl grote bedrijven diezelfde praktijken al jaren toepassen zonder dat er een haan naar kraait?

Addendum: Toen ik dit schreef waren zowel SOPA als PIPA nog niet afgeschoten. Inmiddels is dat wel zo. Echter, ik vermoed dat ze onder een andere naam binnenkort terug komen.

Op naar het volgende land

Inmiddels ben ik weer veilig terug in Nederland. Wennen aan het weer (de regen is koud!), alle was gedaan en nu nog even vakantie.

De vlucht van Accra (via Casablanca) was lang maar ging opvallend soepel. Ik had er een hard hoofd in toen we gingen. Systemen lagen plat, lange rijen en geen boarding pass voor de overstap naar Amsterdam. Maar de douane was verschrikkelijk soepel (lucifers mochten mee, flessen water mochten mee) en het fouilleren was een lachertje. Om je dat laatste voor te stellen klop je jezelf even met je vlakke hand op je middel, en dan op je dijbeen. Dat was het! Het ging allemaal prima dus.

De vakantie is maar kort; in september begin ik met het schrijven van mijn Master-thesis bij een bedrijf in Düsseldorf. Daarvoor ben ik nu bezig met een kamer, ik heb een nieuw pak nodig, en ik ben me aan het inlezen in het onderwerp. Voorbereiden dus. Mooi verhaal trouwens. Ik ging op de universiteit naar het International Office om nog wat dingetjes na te vragen over het gaan naar het buitenland.

De man die me ontving begon met een hele preek. Hoe durfde ik het te wagen alles wat ik kwam vragen, niet al te weten? Was ik niet naar de Wil Weg Weken (info en promotie over in het buitenland studeren) gegaan? Hoe dacht ik aan een kamer te komen? Waarom heb je je beurs nog niet geregeld? Etcetera, etcetera. Ik ging zijn kantoor uit met een vaag gevoel dat alles mislukt was met mijn thesis.

Toen ik me ging verdiepen in zijn kritiek, kwam ik er achter dat dat allemaal best wel meeviel. Het bedrijf dat ik belde voor een kamer meldde dat ik toch wel heel vroeg was (terwijl de universiteit meende dat dat nooit meer ging lukken). Een studiebeurs is een schijntje, en kost tien miljoen jaar om te regelen (dus laat maar), de opdracht is al rond en goedgekeurd en nee, ik ga mijn kamer niet onderverhuren.

Ergo, alles is geregeld. Ik vermoed dat de man van de uni normaliter alleen complete mongolen over de vloer krijgt. Een jaar van te voren beginnen met de voorbereidingen? Fuck dat! Ik begon in januari, en dat was alleen omdat het bij een groot bedrijf allemaal wat langzamer gaat. Ik heb me tot aan juni misschien drie volle dagen ingespannen om alles rond te krijgen? Vier zou veel zijn. Het hoeft allemaal niet zo veel tijd te kosten.

Maar even los van al dat gedoe, ik ben terug! Uit Ghana! Yes! Ik mis het land wel een beetje soms, zeker als ik foto’s terug kijk. Maar het is hier ook wel fijn hoor. Goede wegen! Geen corrupte politie! Niet uren onderhandelen over elke boodschap! Hoera!

Voor de mensen die ze nog niet gezien had, ik heb foto’s online gezet, en een compilatie-filmpje gemaakt. Hieronder staan de linkjes.

Voor het filmpje een waarschuwing: hij is errug groot. Mocht ie dus heel traag spelen, gebruik dan de link onder het filmpje (rechtermuis, opslaan als) en download hem eerst voor je kijkt. Je hebt QuickTime nodig.

De volgende keer dat ik een stukje schrijf, is dat waarschijnlijk vanuit Duitsland. Bis lederhosen!

Ontwikkelingshulp anno nu

Af en toe kom je ze nog tegen. De echte digibeten. Echte alpha’s, mensen die niks hebben met wiskunde, natuurkunde, computers of überhaupt maar met sommetjes in het algemeen. Daar is niks mis mee. Het woord digibeet klinkt misschien een beetje vervelend, maar het is natuurlijk lief bedoeld. Immers, die zitten er ook bij.

Vandaag trof ik er echter eentje waar ik echt de kriebels van kreeg. Brrrr!

Van de zomer ga ik naar Ghana. Drie weken, een project voor de universiteit, om daar te helpen met computers. Nou krijgen we tot die tijd college van een vrouwtje van (volgens mij) de sociale faculteit. Lief mens hoor, vast, maar ik kan haar echt niet meer serieus nemen.

Dat begon een paar weken geleden. Een college over “lokale kennis”. Dat is het verschijnsel dat mensen nou eenmaal veel weten van hun land, hun omgeving, en de mensen die er wonen. Nou is dat al niet bepaald rocket surgery, maar zoals zij het vertelde… Ik kreeg weer helemaal beelden van die arme Afrikaanse negertjes waar wij oh-zo goed bedoeld onze melkplas dumpten in de vorm van melkpoeder. Van die zielige oedeembuikjes die wij denken een plezier te doen met onze afgedankte Wibra-broeken. Ik kreeg van haar sterk de indruk dat ze Afrika ziet als één grote Hoekele-Boekele stam die bloot rondloopt en in rieten hutjes leeft.

Het is niet zo heel gek dat als je ergens woont (een generatie of acht miljoen), dat je dan verstand hebt van het land waar je leeft. Je staat niet meer gek te kijken van een regenseizoen. Bovendien heb je dan echt wel in de smiezen wanneer het handig is om gewassen te planten, welke slangen je niet moet pesten met een stok, en hoe je met het beste met elkaar kan gaan zodat alles een beetje vredig blijft.

Als je daar over nadenkt, geldt dat natuurlijk voor iedereen. In Afrika, in Azië, maar ook gewoon in ons koude kikkerlandje. Ik ben in elk geval niet zo gek om in de winter in een korte broek de deur uit te gaan. Ik wéét dat het dan steenkoud is. Bovendien rijden de treinen toch niet als het sneeuwt. Ik ken de openingstijden van mijn lokale Albert Heijn uit mijn hoofd, ik kan zwervers vriendelijk doch dringend afslaan, en ik weet dat het niet heel handig is om “wollah jongeh, doe mij een hijsje!” naar een willekeurige capuchonscooter te roepen. Is dat niet ook gewoon “lokale kennis”, opgedaan door “de lokale bevolking”? Sure, het is niet zo down-to-earth als in een ontwikkelingsland maar feitelijk niet anders dan haar Afrikaanse voorbeelden.

Daar moest ik dus al even van bijkomen, want terwijl ik me dit bovenstaande zat te bedenken, zat deze mevrouw door te emmeren over de “indigenous people” en hoe knap het was dat ze in het goede jaargetijde de zoetste knollen uit de grond wisten te graven. Nou, gefeliciteerd. Zet mij een paar jaar in West-Afrika, en dan lukt me dat ook wel. Andersom trouwens ook. Het handjevol Afrikanen dat hier op de universiteit rondloopt weet doorgaans beter hoe laat lijn 10 rijdt dan ik.

Terug naar vandaag. Een college over ICT en onderwijs. Over hoe ICT het onderwijs kan helpen en zulks. Dat begon al met zulke kritische vragen (van haar) als: “wat heb je aan ICT als je zes kilometer moet lopen voor water?”. Nou, ik weet het niet, maar ik beweer ook niet dat je dan wat aan ICT hebt. Ah fijn, ze begon ons te vragen naar onze computerkunde, respectievelijk op de basisschool, de middelbare school en daarna. Ik was zo stom om te vertellen dat ik op de basisschool al zat te programmeren achter een oude (maar toen hagelnieuwe) 486.

Daar kon ze al niet met de pet bij. Dat kinderen dat voor hun lol deden. Ze ging er verder niet op in, dus ik dacht dat ik goed zat. Tot ze bijgekomen was van mijn antwoord, want toen begon ze met een onschuldige vraag aan de groep: “dat doen ze toch niet meer hè? Kinderen leren programmeren op school?”. Iedereen antwoordde ontkennend, en dat was maar goed ook. Er volgde een heel verhaal over dat dat maar onzin was, bla-die-bla, terwijl ze in één adem zei dat ze toch wel graag zou zien dat alle kinderen tienvingerig leerde typen op school. Ik wilde nog opperen dat ze eerst maar eens moesten leren spellen, maar ik zei maar even niks.

Door naar de social media, of zoals zij het noemde “zosjal miedie-ja”. De enige jongen in de klas die niks met Facebook had werd de hemel ingeprezen. Fair enough. Vervolgens kwam er een hele anekdote over hoe zij samen met drie docenten in een collegezaal, de enige was zonder Hyves. “Hah!”, riep ze gekscherend, “we waren de enige zonder vrienden!”. Ook nu hield ik wijselijk mijn mond maar dicht.

Na de pauze ben ik niet teruggekeerd. Niet omdat ze, ongehinderd door enige vorm van kennis, zo over computers stond te kletsen, nee. Daar kan ik wel tegen. Dat zie ik vaker. Maar dat hele Afrika-verhaal? Ze was bloedserieus! Ze gaat al jaren naar allerlei Afrikaanse landen, om ontwikkelingshulp te geven! Denkt ze echt zo over de bevolking daar?

Ik vind het ineens niet vreemd dat onze ontwikkelingshulp daar bar weinig bijdraagt. Ze zien ons aankomen zeg. Dan hoop ik toch dat Tim en ik het beter gaan doen straks.

Reclames

Ik heb geen TV. Al jaren niet meer. Heerlijk. Je mist er echt niks aan. Films kan je downloaden, leuke series kijk je via Uitzending Gemist (of die download je ook) en het nieuws pik je via internet mee. Sneller en nog relevanter ook.

Af en toe levert dat grappige situaties op. Ik zat laatst ergens TV mee te kijken, en er kwam een briljante reclame voorbij. Ik lag in een scheur! De andere keken me wat meewarig aan. “Die is al weken op TV hoor.“. Tja, wist ik veel.

Vroeger, als wij thuis TV keken, ging tijdens de reclames het geluid uit. Een verademing. Vooral omdat het geluid tijdens reclames veel harder lijkt. Dat is overigens niet zo, dankzij wat trucjes lijkt het geluid uit je speakers te brullen. Maargoed, geluid uit dus. Dat zie ik tegenwoordig niemand doen. Elke keer als ik een keertje met mensen mee-zap, blijft die herrie doorlopen. Vaak blijven ze nog kijken ook. Bij ons ging het geluid uit, er ging er eens ééntje naar de WC en ondertussen babbelden we wat of bladerden we door de TV-gids. Dat zie je echt nergens meer. Het is net als stroopsoldaatjes, of in je blootje in het opblaaszwembad in de achtertuin. Relikwieën uit mijn jeugd.

Ik gok dat zo’n 90% van mijn lieve lezers TV kijkt. Ik kan ze dus niet al te hard affakkelen. Ik bedoel, een beetje ranten is leuk, maar als je zelf het slachtoffer bent? Mwoah. Ik zal dus maar niet doorgaan. Duidelijk mag zijn, dat ik er niet bij kan met mijn hoofd. Negentig procent van de reclames is nog ontzettend slecht ook. Wie wil dáár nou vrijwillig naar luisteren? Kijken is al erg genoeg.

Doe jezelf nou eens een plezier. Flikker dan niet die TV het raam uit (daar was-ie toch al veel te duur voor), maar zet het geluid eens wat vaker uit. Negeer het gewauwel van de gebotoxte reclame-hoofden eens. Pak een boek, check je email, strek je benen of ga eens lekker anders zitten.

Wedden dat TV kijken dan toch nog iets ontspannends wordt?

T-Mobile aan de telefoon

De laatste dagen heb ik vrij regelmatig met T-Mobile aan de lijn gehangen. Niks bijzonders. Nieuwe telefoon (want mijn huidige is echt aan het overlijden), een vergeten betaling (hunnerzijds ;) ), dat soort dingen. Als je goed luistert, of wel vaker met de klanten’service’ van een bedrijf aan de lijn hangt weet je dus precies wat er gaat komen.

T-Mobile: Goedemiddag.
Ik: Goedemiddag, met Sander, ik wil graag (insert vraag).
T-Mobile: Ok, wat is uw mobiele nummer?

Daar begint het al. Mijn mobiele nummer? Ik bel ze nota bene mobiel. Met een nummer van T-Mobile. Mijn telefoon, nog gezegend door De Heer zelve in Jerusalem, kan al het ene nummer van het andere onderscheiden. T-Mobile heeft blijkbaar Chinese kindertjes in hun telefooncentrale zitten en tja, die kunnen geen Arabische cijfers lezen.

T-Mobile: Ter controle, wat is geboortedatum, postcode en huisnummer?
Ik: (Lepel ze allemaal op)
T-Mobile: Meneer Sander dus?
Ik: De enige echte.
T-Mobile: Dan zal ik me ook even voorstellen. Ik ben (bla die bla) en ik sta tot uw dienst.

Dat guitige ‘dan zal ik me even voorstellen‘ hoor je ze allemaal zeggen. Allemaal. Daarna komt nog iets van ‘en ik ben hier voor u‘, of ‘ik sta tot uw dienst‘, of iets anders onzinnigs. Leuk verzonnen door de marketingboys, maar het wordt een beetje afgezaagd.

Plus, ze noemen allemaal hun naam, maar je verstaat ze nooit. Of ze heten Fatima Dachdievaroempadieblageenidee, of ze heten Henk de Vries en er werken zeventien Henken de Vries bij T-Mobile als je er naar vraagt omdat die jongen je toen-en-toen geholpen had. Of natuurlijk de gouwe ouwe ‘die werkt hier niet meer‘. ‘Ja‘ zeg je dan, ‘en ik weet waarom‘. Lachen gieren brullen natuurlijk aan de andere kant van de lijn maar je schiet er niks mee op :’).

Daarna gaat het gesprek gewoon, nou ja, goed. Je ouwehoert wat, je kletst over waar je dan ook voor belt en vooral, je doet zo vrolijk mogelijk. Anders krijg je niks gedaan. Ze krijgen de hele dag zeikende mensen aan de lijn. Vandaag had ik trouwens dit pareltje:

T-Mobile: Hey, ik zie dat u een T-Mobile emailadres heeft.
Ik: Ehm?
T-Mobile: tmobile apestaartje N D E R punt be. Wat leuk, werkt u ook bij T-Mobile?”
Ik: Eh, nee.

Echt te briljant voor woorden. Achteraf bedacht ik me natuurlijk dat ik “Ja” had moeten antwoorden of “Shit je hebt me door” ofzo. Maar ik was niet zo scherp. Na de tweede opmerking van dat meisje was ik zo hard mijn lach aan het inhouden dat ik mijn koffie liet vallen.

Het gesprek afsluiten gaat alsvolgt.

T-Mobile: Bent nu zo naar wens geholpen?
Ik: Yep
T-Mobile: Heeft u nog andere vragen?
Ik: Nope.
T-Mobile: Dan wil ik u graag een fijne dag wensen en bedanken voor het bellen.
Ik: Ok, ajeto!

Een gewoon Hollands “Doei!” “Ja doei!” kan er niet eens meer af. Waar moet het heen ;(.

Voorspelbaar

Je kijkt een film. Op ongeveer twee derde van de film is alles koek en ei. De bad guy is verslagen, de jongen heeft het meisje (of andersom) en de weeskinderen zijn gered uit de brandende schoolbus. Zet de aftiteling maar klaar.

Maar neen! Plots blijkt dat de weeskinderen van de regen in de drup belandden. Een oud probleem duikt de kop weer op de bad guy leeft nog! Wat een verrassing!, of de jongen en het meisje krijgen ruzie over iets compleet debiels (dat ook nog eens totaal uit de lucht komt vallen). Wat het ook is, het probleem is Onoverkoombaar.

Het laatste stuk van de film wordt gevuld met het laten zien dat het probleem toch nog opgelost kan worden dankzij de vereende krachten van de goodguys, of met behulp van de beste vrienden van de hoofdpersoon, die toch nog het meisje weet te scoren. En dan, na een half uur tenenkrommend film kijken, dan toch eindelijk de goede afloop en de aftiteling.

Hollywood, kan dat nou niet eens anders?

Iemand ophalen

Vroeger jongen, deden wij het zonder al die moderne mobieltjes enzo. Toen belden we elkander nog gewoon.

Aldus elke willekeurige senior die ik spreek over telefoons, internet op je mobiel, en wat dies meer zij. Ze vinden het doorgaans niks. Maar het is wel verdomd handig. Zo ondervond ik gisteren, in ieder geval.

Tot vorig jaar een keer had ik een behoorlijk hippe telefoon. Interweb erop, emailen, alles kon. Dat ding ging stuk en nu leen ik de oude van Sjoerd, die Walter daarvoor had, totdat er weer iets tofs uit komt. Bijvoorbeeld de nieuwe iPhone, die waarschijnlijk begin volgende maand wordt aangekondigd.

Dat ouwe ding is niet zo handig. Twitter gaat maar net, Facebook is regelmatig teveel gevraagd en elke keer als ik de webbrowser afsluit, moet ik overal opnieuw inloggen. En ik heb een heel lang wachtwoord, dus dat is erg vervelend. Het weerhoudt me er niet van om te internetten, maar liever niet. Dat kan problemen geven.

Gisteren kwam Peter terug van Curacao. Samen met Kenneth zou ik hem gaan ophalen. ‘s Ochtends checkte ik nog even Facebook en jawel, hij was ingecheckt. Dus ik er heen.

Daar aangekomen zei het bord: “Expected at 22:00″. Het was tien over half elf in de morgen. Ik dacht nog, “mmm, is dat de lokale tijd?“. Dan maar Kenneth sms’en. Die belde verschrikt op: “Ben je er dan? Hij heeft zeven uur vertraging!“.

Kortom, ik kon weer terug. Twee en een half uur in de trein voor niks. Nou ja, niet helemaal voor niks, want ik heb Starbucks koffie gescoord en mijn huiswerk gemaakt. Ik had wiskundesommetjes en die zien er altijd erg ingewikkeld uit. Ik zat in een stiltecoupé, en een meisje tegenover mij begon te bellen. Ze belde niet van “hoe is het nu met oma na de hartaanval en dat tragische ongeval met die zebra?“. Ze belde een vriendin en begon met “wat ben je nu aan het doen?“. Kortom, een gesprek over niks.

Ik zeg tegen haar “Weet je waar je bent?“. “Hoezo?“. “Je zit net als ik in een stiltecoupé, en ik ben hier niet voor niets gaan zitten.“. Ik wijs op mijn sommetjes. Ze trokken al de aandacht van de andere passagiers, dus die had ik in ieder geval op mijn hand. “Als je zo nodig moet bellen, doe dat lekker ergens anders.“. Boos hangt ze op, en gaat ze weg. Vriendelijke knikjes komen mijn kant op. Punten voor mij, weer een goede daad gedaan.

Toch voel ik me wel een beetje sociaal gehandicapt na deze episode. Thuis aangekomen blijkt Peter vrolijk (of nou ja, vrolijk) te hebben doorgegeven dat het nog wel ff kon duren voor-ie aankwam. De meewarige twitter-berichten vlogen me dan ook om de oren. “Ach, ja dat had ik gelezen. Ben je toch gegaan? :’)”.

Gelukkig had ik Starbucks koffie om mijn verdriet weg te drinken.

Achterlijke zoekrobots

Zo, even een nerdpostje doen. Sla dit stukje dus rustig over als je niet weet wat ‘indexeren’ is. ;)

Ik blog al sinds 2004 ofzo. Dat is inmiddels zes jaar, en dat klopt wel ongeveer, want ik begon toen ik nog op het MBO zat. Mijn allereerste stukje ging over het feit dat ik een weblog was begonnen. Het alleroudste stukje dat tegenwoordig nog online staat is een pareltje over BNN. Zonder de bijbehorende reacties, want die zijn in de loop der tijd verloren gegaan.

Waarom zijn die verloren gegaan? Verhuizingen. Ik begon ooit bij Blogger.com, de gratis blogdienst. Tegenwoordig van Google was dat destijds het beste alternatief voor de diensten van web-log, dat destijds afschuwelijk lelijke sites produceerde.

Later stapte ik over naar mijn eigen site, hier op nder.be. Ik gebruikte één van de eerste weblogprogramma’s voor op je website. Ietwat primitief, weinig opties en niet bepaald een wonder van techniek. Maar het werkte, en blog.nder.be is sindsdien hét adres geworden voor stukjes door mij geschreven. Ja, en tegenwoordig staan ze ook op Hyves. Dikke kans dat je dit daar leest.

De webadressen waarop mijn stukjes te vinden zijn zijn sinds die tijd dan ook flink veranderd. Bij Blogger.com ging het nog wel. Daar was het iets als /blog/titel.html. Mijn eerste weblog produceerde wazige dingen zoals /index.php?id=29292. De updates daarna, en wisselingen van de wacht op software gebied leverden elke keer andere links op.

Op zich was dat niet zo’n probleem. Alles werkte immers, als je op mijn weblog zat. Maar het internet zelf was wat hardnekkiger. Oude linkjes gingen stuk. Toen ik ooit van software wisselde moest ik nog maanden oude linkjes in Google fixen.

Tegenwoordig zit dat wel goed. Google pikt me goed op, net als Yahoo! en Bing. Maar er zijn nog een boel entrepeneurs met primitieve webrobots die het concept ‘pagina niet gevonden’ niet snappen. Ze duiken ergens een oud linkje op (en geen idee waar, ik kan ze niet vinden), en proberen dat te bezoeken. Ze krijgen vervolgens de keurige melding “sorry, pagina niet gevonden“.

In plaats van daar gehoor aan te geven en het linkje maar te vergeten blijven ze het proberen. Het gevolg? Ik heb soms tientallen, zo niet honderden meldingen in mijn logboeken staan van debiele webrobots die hardnekkig dezelfde oeroude link proberen te bezoeken. En meestal repareer ik de link handmatig, zodat-ie weer werkt, maar vaak ook niet. Ik heb, zeker twee dagen voor mijn afstudeerpresentatie zoals nu, wel wat beters te doen. En denk maar niet dat zulke webrobots gehoor geven aan het technische jargon dat mijn website inmiddels heeft, waar min of meer in staat dat ze op moeten donderen.

Eigenlijk kan je maar één conclusie trekken uit al dat gemier met websites. Het internet is inmiddels net zo ‘volwassen’ als ik. Meestal wel, maar met regelmaat helemaal niet.

Studielink, %$#@#%#

Ik kan nu bijna spreken over ‘vroeger’. Die goeie ouwe tijd op de HAN, waar we leerden programmeren in een keur van programmeertalen, van C# tot Java tot… ehm.. Nou ja. Die twee. Mijn punt is, programmeren was toen simpel. Je hebt een simpel taakje dat volbracht moet worden. Je punt uit één informatiebron, zoals een database, en je levert je gegevens af op een ander punt. Uiteraard werd het weleens ingewikkelder, maar echt heel moeilijk was het nooit.

Nu bij mijn afstudeerbedrijf werk ik aan een product dat werkelijk zo gigantisch ingewikkeld is dat niemand alle ins-en-outs kent. Ja, globaal misschien, maar helemaal de diepte in? Het houdt een keer op, en ik heb gemerkt dat het bij dit soort programma’s ook bijna niet meer mogelijk is om alles te weten. Ik heb mijn best gedaan, maar ik weet ook nog steeds niet alles. Zo complex is het.

Bij de overheid komt dat wel vaker voor. Een bepaald probleem is zo gigantisch ingewikkeld dat het niet anders kan dat het ook een gigantisch programma nodig heeft. Neem nou ‘Studielink’. Dat is een website waarop je je inschrijvingen aan universiteiten, hogescholen en andere opleidingen kan regelen, alsmede de betaling van het collegegeld en meer van die handige zaken.

Nu ik iets meer weet van de ontwikkeling van zulke grote en omvangrijke applicaties weet ik dat dat niet makkelijk is. Er moet nagedacht worden over de flow van zulke grote stromen, dat het onmogelijk is om dat niet abstract te doen. Volg je me nog? Wat ik maar zeggen wil, er komt een moment dat je iets moet zeggen als “en nu moet het programma de aanvraag indienen”, of “en nu krijgt de student een brief thuis”. Als je dat niet doet, lukt het je nooit om zoiets helemaal af te krijgen.

Dat is ook logisch ook. Als je een feestje organiseert besluit je zoiets als “we kopen meuk, we nodigen mensen uit, en dan wordt het gezellig”. Wat die meuk precies is, wie die mensen zijn en hoe je het dan gezellig krijgt zijn dingen waar je dan nog niet mee bezig bent. Dat komt later wel, in de Albert Heijn.

Maar dat Studielink hè? Dat is dus echt een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. De logica van die website is alleen te snappen als je de database erbij houdt. De mailtjes zijn onbegrijpelijke, kafkaësk aandoende broddelwerkjes, geschreven door mensen met het taalgevoel van zeekomkommers. De website zelf is gebouwd als een ouwe SUV. Log, traag, en vol met nutteloze mogelijkheden waar je alleen in de jungle van Cambodja iets aan hebt. Zo is Studielink er ook in het Engels, wat op zich nuttig is, maar tegelijkertijd is de website totaal niet in staat om te onthouden wat jouw voorkeur is qua taal. Het gevolg is dat de helft van de pagina’s willekeurig naar Engels en weer terug naar Nederlands springen.

Zo zou ik nog wel een pagina of vier vol kunnen kletsen over het monster van Studielink. Ik zal dat maar overlaten aan enthousiastere bloggers. Ik zal afsluiten met weer een tenenkrommend voorbeeld van Studielink-logica. Na vier jaar studeren, en drie succesvolle inschrijvingen bij de HAN en de Radboud universiteit kreeg ik laatst een brief met een code. Of ik, als nieuwe student (hoe verzin je het!), mijn adresgegevens zou willen valideren. Ik denk dat ik voor de grap het adres van Zweinstein opgeef. Ik denk niet dat ze het door gaan hebben.

Met de bus naar Apeldoorn

Nu ik deze post over het openbaar vervoer in Nederland aan het typen ben, schieten me twee dingen te binnen.

Ten eerste dat wij hier in Nederland maar gelukkig moeten zijn met alle voorzieningen die we hebben. Ik noem een zorgverzekering, vers stromend water en openbaar vervoer. Zelfs in landen als de Verenigde Staten is goed openbaar vervoer niet vanzelfsprekend. Vraag maar aan RJ.

Het tweede is dat dit zeurblogje (want je weet vast al wat er gaat komen) een beetje een herhaling is. Immers, elke keer als ik stage ga lopen ergens in dit land moet ik met het OV. Elke keer valt er wel wat te mekkeren. It makes you think.

Bij deze dus mijn klaagstukje over het OV. De busreis naar Apeldoorn is lang, altijd vertraging, ik mis altijd mijn aansluiting, yak yak yak. Voor een reis waarvan 9292 zegt dat ie 54 minuten duurt ben ik ruim anderhalf uur onderweg. Dat is nogal vervelend.

Overigens, over 9292 gesproken, wat voor een oneindige prutsers zijn dat. Diezelfde gasten die bandbreedte gingen besparen met een zwart-witte website (ja, echt!) en vervolgens hun site volpleurden met advertenties. Nou die gasten hebben de meest klantonvriendelijke mobiele site aller tijden geproduceerd. Mên mên mên wat een gedrocht is dàt zeg! Je kan nog beter met postduiven de weg gaan vragen aan een Zuid-Afrikaan met een kaart van Oeganda. Zelfs dat is sneller dan een routebeschrijving van 9292ov.nl. En het was nog niet zo erg geweest, als die site zulke ongelofelijk oenige suggesties gaf. Ik type in: “john f kennedylaan“. De website suggereert: “Bedoelde u ‘john f kennedylaan’?“. Ja! Dat bedoel ik! :(

Tijd voor een diepe zucht. Gauw maar weer aan het werk. Ik heb genoeg te doen om het gestress van het OV even te kunnen vergeten ;).