Werk en updates

Melanie vroeg vrijdag ineens ‘nu weet ik nog niet waar je werkt!’. Nou, ik ga het niet op mijn weblog zetten. Plus, ze weet het inmiddels al. En waarom zet ik het niet op mijn weblog? Die fout heb ik al een keer gemaakt toen ik bij een groot warenhuis werkte. Ik liet me negatief uit op FOK! over datzelfde warenhuis en erg ging een mailtje naar info AT grootwarenhuis.nl met daar in die post en voor de zekerheid een verwijzing naar mijn FOK! fotoboek. Tof he!

Nou heb ik nu wel twee voordelen. A) ik heb werkelijk waar niks negatiefs over mijn werk te zeggen en B) mijn baas is geweldig en is het misschien nog wel met me eens ook. Maar desondanks, nope. De branche mag je weten; ik werk in een erotiekzaak. Jawel. En ik heb alle grappen al gehoord.

Anyway, verder is het vrij kalmpjes hier. Robert is met school begonnen (en hij moet nog steeds een keer van mijn bloggen) en ik ben met het project begonnen voor school. Het project houdt dit keer in dat we een bestaand prototype (gemaakt door een aantal tweedejaars) moeten verbouwen naar een “echt” product. Dit alles voor een groot mediabedrijf.

Inmiddels duurt het al 2 weken voordat we uberhaubt de opdracht hebben. Daar waar het betreffende bedrijf in juli op tafel stond te dansen dat de HAN dit voor ze wilden oppakken, nu zitten ze te miepen “dat ze geen tijd hebben om het project te begeleiden”. Zwaar irritant, want ik zit met mijn projectgenoten de hele dag niks uit te voeren. Uit pure armoe ben ik Warzone 2100 aan het uitspelen en ik ben al achterlijk ver.

Verder heb ik mijn portfolio terug, en behalve de echte opmerkingen voel ik al weer aan dat ik een stevige discussie met een docente moet aangaan over hoe het nou handig is dat je een database in elkaar zet. Op zich niet zo erg hoor. Het komt wel vaker voor dat docenten willen voorschrijven hoe je denkt over bepaalde zaken. De beste oplossing is om gewoon met het stramien mee te lopen en je mening voor jezelf te houden. Dit werkt overigens ook in het bedrijfsleven uitstekend. Zorg er wel voor dat je een goede motivatie hebt. Die wordt dan wel weggewuifd, mocht je die presenteren, maar dat maakt niet uit. Jij weet beter.

En weg ermee!

Ja hoor. Je zet je fiets één avondje buiten. En niet zomaar buiten. Nee, buiten voor de deur. In het licht van het ganglicht. Met gloednieuwe banden eronder, een compleet doorgesmeerde ketting, nagekeken remmen, afgestelde voorvoorkvering en een joekel van een slot erop. Vastgeknupt aan een heel stevig paaltje.

En dan wil je de volgende dag eens een eind gaan fietsen. Is ie weg. Echt gewoon weg. Geen ijzervijlsel, geen slot in de bosjes, niks.

Kutzooi. Als je hem ziet rijden, bel me!

Competentiegericht onderwijs

En nu ik terug ben van vakantie, kan ik dit natuurlijk ook wel posten. Het vervolg op Het geniale semester model.


Het is helemaal hip tegenwoordig. We toetsen onze studenten niet meer met tentamens en proefwerken. Nee, we laten ze de competenties uit de “praktijk” (denk hier maar even vierhonderd haakjes omheen) bewijzen met het werk uit projecten en opdrachten. Daardoor zijn ze beter in staat om de opgedane kennis te plaatsen en zijn ze gemotiveerder om hun werk te doen.

Dit systeem werkt, net als het semester model voor geen meter. En de combinatie van die twee is dodelijk, kan je je misschien wel voorstellen.

Een competentie is een skill die je bezit. “Planmatig werken”, of “Adviseren” zijn twee voorbeelden. Bij die competenties horen een aantal indicatoren, die (vak)specifiek handvaten geven om de competentie aan te tonen. Een voorbeeld voor de competentie Bouwen en Testen van het semester dat ik zojuist heb gevolgt. Het vak is Webtechnology.

De kandidaat is in staat om manieren te benoemen en te realiseren om vanaf een client te communiceren met de server, daarbij rekening houdend met de user experience.

Nou nou nou, wat zou daar het bewijsmateriaal voor zijn? Een AJAX-scriptje of een POST-formuliertje? Zoiets inderdaad. Maar dat is niet bewijzen. Je moet, zoals dat heet, “bewust bekwaam” zijn om een indicator aan te tonen. Neem bijvoorbeeld deze indicator voor de competentie samenwerken:

De student kan de interactie binnen de groep beschrijven met onderbouwing van theorie.

De bedoeling van deze indicator is uiteraard om groepsgenoten te laten ondervinden wat het is om in een groep samen te werken en aan een product te knutselen. Maar wat nou, als je deze indicator moet bewijzen?

Stel, we nemen een projectgenoot. We gaan het eens over hem hebben. In de groep zijn nog weleens conflicten over de manier van werken, en consequent heeft deze groepsgenoot (laten we hem Jan noemen) een andere mening. Overigens, dit verhaaltje gaat niet over mijn vorige projectgroep voor CRIA, mochten mensen meelezen. Jan vind dat hij veel ervaring heeft met de stof. Hij heeft aleens op een hogere opleiding gezeten en is nu terug op het HBO, om de een of andere duistere reden. Jan vindt dat hij altijd gelijk heeft.

Neem nou een discussie over hoe een applicatie moet reageren op nieuwe gebruikers. Uit de usabilitytest bleek dat gebruikers niet in staat waren om de eerste tool goed te gebruiken. Ze klikten ermee, terwijl je moet slepen. Resultaat: onduidelijkheid en verwarring. Dan zijn er twee oplossingen. Jan’s Geniale Fix, en de goede oplossing. Hierover discussieren met Jan heeft geen resultaat, want de hele groep is het jammergenoeg met hem oneens. Dat resulteert in gesprekken die ongeveer zo gaan:

- Jan, volgens mij is dit de beste oplossing.
— Volgens mij is het wel een goed idee om het anders te doen.
- Ja ok, maar dat lost niks op, de verwarring blijft. Ik stel voor dat we het op mijn manier doen.
— Maar we zouden ook [herhaal de oplossing]
- Dat snap ik, maar ik, en de groep met me, denken dat dat niet zo functioneel zal zijn als mijn oplossing.
— Als we nou eens [herhaal oplossing]?
- Neehee, dat doen we niet.
— *wegloopt*

Je snapt natuurlijk wel dat dat niet zo constructief is. Onze oplossing komt er, en de gebruikers zijn tevreden. Maar het onderwerp blijft hangen, en op elk moment dat een gebruiker eventueel zou kunnen blijven hangen op onze oplossing komt Jan triomfantelijk aan met opmerkingen als “volgens mij, als we [mijn fix] gebruiken is dat zo opgelost”. Redelijk uitleggen heeft geen zin, ook niet als je puntsgewijs vertelt waarom zijn oplossing niet werkt. Jan luistert namelijk niet. Jan luistert nooit. Jan krijgt een soort ruis in zijn oren als je tegen hem praat en wacht geduldig tot het gezoem over is, om vervolgens verder te praten. En dat het hele project door.

Waarom vertel ik je dit? Nou, Jan is gisteren geslaagd voor zijn competentie Samenwerken. Jawel, op niveau 3 nog wel, het hoogste HBO niveau. Vind je dat gek? Ik niet namelijk. Het grote zwakke punt van competentiegericht werken is namelijk dat het bewijzen zo ontzettend stom geregeld is.

Op het moment dat er iets bewezen moet worden, doe je vier dingen. Je verzamelt bewijsmateriaal, je motiveert dit, je schrijft een reflectie en je bewijst dat je “bewust bekwaam” bent (geworden). Maar hoe pak je dat aan als je projectgenoten een hekel aan je hebben gekregen, je bewijsmateriaal zeer mager is, en je uiteindelijk nog niks kan bewijzen? Oplossing: je lult uit je nek.

Je begint eerst maar eens met bewijsmateriaal. Je vertelt chronologisch hoe het project zich ontvouwde, wat de teamrollen waren en wat voor een “type” persoon ze waren. Een Plant, een Voorzitter… je kent het misschien wel. Dit onderbouw je met literatuur. Je zorgt ervoor dat je een samenhangend verhaal hebt over hoe bepaalde rollen kunnen conflicteren en hoe dat er in het project aan toe ging.

Omdat je (ondanks je competentie) geen reet hebt gedaan aan daadwerkelijk samenwerken, schrijf je een reflectie. Hierin trek je een klein boetekleedje aan en beschrijf je zo op een zo algemeen mogelijke manier de conflicten die in de groep voorkwamen. Daar betrek je jouw rol in (“mijn teamgenoten stonden niet open voor mijn mening”) en beschrijf je hoe je in de toekomst beter wilt worden (“mijn mening beter onderbouwen en zorgdragen voor een teamspirit waarin conflicten open en eerlijk gesproken besproken kunnen worden”). Hier betrek je gelijk het “bewust bekwaam” verhaal bij. Dit geheel beslaat vijf of zes kantjes en de competentie is bewezen. Bovendien fake je een Belkin-test, gebruik je de notulen als aanknopingspunt en slijm je bij docenten zodat ze bij het nadenken zoiets hebben van “oh ja, daar hebben we het nog over gehad”.

Dit is een schrijnend voorbeeld van competentiegericht onderwijs. Maar het kan nog veel erger. Wat dacht je van de nerveuze stotteraar die presenteren op niveau 3 bewees (en in theorie de Troonrede zou moeten kunnen doen). Of de dyslectische Antiliaan, vers van Aruba, die nog geen drie woorden goed kan schrijven (hoe lullig het ook klinkt) en zonder veel inspanning schriftelijk communiceren op niveau 3 bewees. Of ook zo mooi. Ik ken iemand die het plannen, organiseren en afnemen van een usabilitytest succesvol bewezen heeft, terwijl hij de hele week pas om 12 uur op school was en de dag van de test met een kater in zijn nest lag. En dan heb ik nog niet eens de competenties genoemd die niet eens mogen, maar wel in de documentatie voor een project staan, zoals deze:

De student is in staat voor de facultatieve toets die halverwege het semester wordt gegeven, een 8 of hoger te halen.

Ik bedoel, kom op!

Kortom; het oude onderwijs kent veel gebreken, maar competentiegericht onderwijs is nou niet bepaald het ei van Columbus. Terug naar de tekentafels maar weer.

Het geniale semestermodel

Voor de mensen die meelezen over Robert, dit stukje gaat niet over hem. Het gaat over mijn opleiding. Lees gerust mee en reageer als je dat wilt.

Het niveau van lesgeven op HBO opleidingen verschilt van zuigend tot ontzettend ruk. Mijn school is nu ook zover. Op de HAN hebben ze besloten om de ICA een nieuw lesmodel te geven om zo nog betere studenten op de arbeidsmarkt te zetten. Ze hebben het semestermodel bedacht.

Na het eerste jaar heb je je propedeuse binnen. In de drie jaar daarna moet je, behalve je minor en je afstuderen enzo, ook drie semesters volgen; elk van een half jaar. Zo’n semester gaat over een specifiek onderwerp, zoals “OO programeren”, “website bouwen”, “ICT en businesses dichter bij elkaar brengen”. Er zijn ook semesters zoals “communicating with databases” en “create a rich internet application”. Ik volg die laatste overigens.

Tijdens de eerste helft van zo’n semester krijg je twee courses. Die twee courses behandelen de meest belangrijke onderwerpen van het semester. Tijdens de tweede helft ga je aan de slag met een project om je in de opgedane kennis te verdiepen en op die manier wat te leren. Klinkt goed, of niet? Nou nee.

Om te beginnen, er zit veel verschil tussen het niveau van semester tot semester. Het semester dat ik nu heb gevolgd,CRIA, stelt werkelijk geen ruk voor. Zo heb ik Javascript geleerd die rechtstreeks van Google valt te halen en de opdracht van het project was erg leuk, maar inhoudelijk niet erg diepgaand. Daarnaast zijn er semesters voor communicatie-studenten die écht nergens over gaan. Maar op zich is dat niet zo frappant, want C-semesters gaan in de regel nergens over. Maar het ontzettend grote niveauverschil tussen semesters zorgt ervoor dat de ene route wel een HBO-diploma waard is, en de andere niet. Ik bedoel, voor je diploma: een semester over wikischrijven, een semester photoshoppen, en een semester Mambo installeren. Hardly the effort.

Een ander nadeel van het semestermodel is dat je elke keer opnieuw begint. Een eis aan elk semester is is dat het na het propedeusejaar te volgen is. Dat betekent dat elk semester opnieuw begint met newbies. Hoe schrijf je een portfolio? Wat is een project? Vroeger was het zo dat je samen met je klasgenoten je niveau omhoog tilde en op die manier een professional wordt ipv een studentje. Jammer genoeg betekent het semestermodel dat je elke keer opnieuw moet beginnen. De eerste drie weken van het semester zit je dus per definitie uit je neus te vreten omdat iedereen nog moet wennen. En elk semester weer moet je maar hopen dat je niet bij Havo-gastjes in de klas komt die alle negen weken van de courses geen zak uitvoeren om er aan het eind van het semester achter te komen dat ze toch wel heul veel moeten doen. Verschrikkelijk irritant.

Over leren gesproken. Het derde nadeel van het semestermodel is dat je geen kennis opbouwt. De kennis die ik heb opgedaan tijdens mijn eerste of tweede semester kan ik niet gebruiken tijdens mijn derde semester. Immers, inhoudelijk gezien gaat het semester van het propedeusejaar uit. Dus ook als je tijdens je eerste semester hebt geleerd om goed OO te programmeren krijg je tijdens het semester daarna vrolijk weer les in scriptjes schrijven in Qbasic. Hopla! En heb je net een groot project afgerond met behulp van de agile werkmethode Scrum, een semester later wordt je door je docenten om een zeer onrustige opdracht met het watervalmodel te doen. Iets dat dan ook compleet mislukt.

En uiteraard word je elk semester geconfronteerd met andere docenten, die voor een groot deel ontzettend incompetent zijn. En dat heeft ontzettend invloed op de voortgang van het project. Neem nou die ene docent die zo absent-minded is dat hij het op het afstuderen van een vriend van me voor elkaar kreeg om het verslag niet te lezen en het lot van hem te bepalen met een afwezig “ja ehm het is wel goed”. Of die ene docent die geniaal is met C maar Java moet geven en noodgedwongen niet meer tips kan geven dan “Google het maar”. Voor meer anekdotes moet je eens in mijn vriendengroep rondvragen.

En dit systeem wordt om de een of andere duistere reden gecombineerd met competentiegericht werken. Hoe verschrikkelijk dàt is vertel ik je de volgende keer wel maar ik kan je alvast een spoiler geven… Ik ken iemand uit een projectgroep van een ander semester, die de bron was van alle conflicten in die groep. Vorige week is hij geslaagd voor zijn competentie “Samenwerken”. Simpelweg door veel te lullen, een pietsje door het stof te gaan, en vooral veel reflectie te schrijven.

Je snapt natuurlijk wel dat ik dit pas plaats nadat ik de resultaten voor mijn semester binnen heb. Ik heb het gehaald! Het semestermodel verandert niets aan het feit dat het geven van kritiek (op de opleiding) betekent dat je je eigen ruiten ingooit. Hoe meer je in het openbaar klaagt, hoe moeilijker het wordt om het semester ook daadwerkelijk te halen. Vandaar dat je dit pas leest als de zomervakantie al begonnen is.

Goede doelen als geldfabriekjes

Al een tijdje verbaas ik me over het volgende verschijnsel. Wat nu in de mode is is namelijk “hippe spullen kopen voor het goede doel”. Je koopt iets hips, dat heel duur is, en daarmee help je Afrika, of de strijd tegen aids, of iets anders. Wat er dan ook in is zeg maar.

Wat ik nou zo raar is, is dat dit zo ontzettend krom is, maar dat mensen het toch doen. Neem bijvoorbeeld die rode iPod's. Dat werkt zo. Je koopt een iPod, en 10 dollar gaat naar Afrika ofzo. Dat hele rode gedoe is een onderdeel van (RED), een organisatie die producten rood kleurt om daarmee AIDS te bestrijden.

Maar ik vroeg me wat af. Een dergelijk bedrijf opzetten, met een hele marketingmachine erachter, met contacten met die fabrikanten én contacten in Afrika, moet klauwen met geld kosten. Sterker nog, heel veel klauwen met geld. Zo’n CC betaalsysteem op de website, de modellen die in de rode kleren rondlopen, de advertentiecampagne. Ik heb me laten vertellen (ik ben de bron kwijt) dat het hele geintje 100 miljoen dollar (!) heeft gekost. Een 1 met acht nullen! En tot nu toe is er 25 miljoen binnengekomen, voornamelijk uit donaties. Dat betekent dat er dus nog een gat van 75 miljoen dollar is voordat er ook maar een cent naar de AIDS-bestrijding gaat. Nou, is dat krom of is dat krom?

En (RED) is niet de enige die het zo aanpakt. Elk zichzelf respecterende organisatie heeft een t-shirt lijn, en er zijn een heleboel organisaties die puur op deze manier geld verdienen. Zet een productlijn op, hang er een goed doel aan, en cashen maar. En wat helpt het? Geen reet. Echt helemaal niks. Behalve dan dat er bepaalde mensen rijk van worden. Het is gewoon business.

Het beste argument tegen mijn verhaal is natuurlijk dat je nog meer doet dan alleen geld verdienen. Mensen worden zich bewuster van de problemen, en uiteindelijk is het gewoon goed dat er tijd en geld in een dergelijk probleem als AIDS wordt gestoken. Alle beetjes helpen.

Maar hoe bewust kan je mensen maken? Iedereen weet al van de AIDS-problematiek. Iedereen kent de hongersnoden en de burgeroorlogen en de massaslachtingen al. Het extra “bewust zijn van” dat je met deze actie creëert is op het verkeerde onderwerp gericht; iedereen is zich bewust van (bijvoorbeeld) (RED), en niet van de problematiek waar ze voor zeggen te strijden.

Mijn advies is dan ook, stap vandaag of morgen eens de Zeeman in. Of de Wibra. Koop een mooi rood shirt. De spullen die ze hebben zijn best goed, en vaak niet eens door kinderhandjes gemaakt.

En de winst maak je over naar een goed doel naar keuze.

Wat vind je van de samenhang in de opleiding?

Dat is een doordenkertje. Ik had eergister een “interne audit” op school. Een commissie van docenten van een andere opleiding kwamen langs om de kwaliteit te meten van mijn Informatica opleiding. En nu we met het nieuwe “semester”-systeem werken is er bijvoorbeeld totaal geen samenhang in de opleiding. Dat levert leuke discussies op als je uitlegt hoe het werkt.

Het zit zo. In plaats van een opleiding van drie jaar (na je propedeuse) heb je nu een soort semesters. Zes stuks, waarvan drie stage. Die andere drie mag je zelf invullen. Kies je nou drie semesters die met Technische Informatica van doen hebben, wordt je TI'er. Kies je drie “gewone” semesters word je I'er. Tijdens zo'n semester heb je een onderwerp (websites, OO-programmeren,embedded proggen), en een project. Mixen mag uiteraard. Nou heeft dat hele systeem een paar zwakke punten, en laten we hopen dat de commissie het oppikt. Als zij het niet oppikken dan doet de externe commissie het wel!

- De kwaliteit van de semesters is onderling erg verschillend. Er is een docententeam voor elk semester. Zij bepalen de inhoud van het semester aan de hand van een aantal structuurs-eisen (lesplannen, courses, formatieve toetsen). Inhoudelijk mogen ze het zelf weten. Dat betekent verschil. Ik deed vorig jaar een semester over Java en UML… heel heel erg pittig. Ik doe een semester over webapplicaties.. en ik zit me een partijtje uit m'n neus te vreten, niet normaal.

- Je kan elk semester altijd kiezen. Dat betekent dat je als docententeam moet uitgaan van propedeuse-niveau. Elk semester begint dus met vertellen over portfolio's en uitleggen wat dat nou is, bewijsmateriaal. Bovendien ligt het tempo niet erg hoog en klimt het maar langzaam hoger… En als dat nog niet alles is… je wordt zo lekker aan het handje genomen. Wel in de les komen hoor! Alles wel op tijd inleveren! Het huiswerk voor morgen is [..]! Erg vermoeiend.

- Inhoudelijk is er nog minder samenhang. Dat heeft uiteraard ook met de structuur te maken, maar algemene projectvaardigheden worden ook niet gecoördineerd. In mijn huidige semester werd me gisteren vertelt dat het watervalmodel toch wel echt de beste methode was om iets te bouwen. Je gaat van fase naar fase en je levert helemaal aan het eind een product op. Dat is leuk, maar in mijn vorige semester werd de watervalmethode van werken compleet door de plee gespoeld. En daar hadden ze heel heel veel redenen voor, die buiten de scope van deze post vallen. En nu moet ik dus weer gaan watervallen. Ik voel me anno 1970.

Positieve note: Ik kreeg een fles wijn als dankje voor m'n feedback. Score!

Het sneeuwt….

En de nederlandse betuttelcultuur is weer op zijn best. Zojuist kreeg ik dit mailtje van de HAN:

Beste student,

Vanwege het weeralarm zijn er vanmiddag (donderdag 8 februari) vanaf 14.00 geen lessen.

Met vriendelijke groet,

Onderwijsbureau ICA

Kijk uit! Sneeuw!

Iets heel anders trouwens. In één van mijn courses (Webtechnologie) verlies je je “recht” op feedback van de docent, als je niet met minstens drie vragen over de stof komt de aankomende week. Heb je geen vragen, dan hoef je niet op support te rekenen als je toch vragen hebt. Jammergenoeg is de stof uitermate simpel… een beetje CSS, een beetje Javascript en (oei!) html. Oh wacht, XHTML! Nou wordt dat vast moeilijker de komende weken (hoop ik) maar voorlopig stelt het niet voor. Kortom: ik moet vragen gaan verzinnen om de docent blij te houden.

De lezersvraag van deze week: Is dat debiel, of niet? Hint: de vraag is retorisch.

Zwemmen

Zwemmen is gezond, dat is redelijk bewezen. Hoewel de chloor niet erg bevorderend is voor je haar, kom je met een paar baantjes per dag een heel eind als het gaat om je conditie. Daarom ben ik al een tijdje ‘s ochtends aan het zwemmen, maar ik moet zeggen dat het me niet zo bevalt, ondanks het feit dat ik naast een zwembad woon, en dus zo het water in kan springen.

Zoals elk zwembad heeft ook het zwembad waar ik zwem een onzichtbare indeling. Ik begon een paar weken aan de linkerkant, en ik eindigde ergens in het midden. Dat zit zo:

Helemaal links zwemmen de fanatieke sporters. Ze trekken vlot hele baantjes borstcrawl en komen fris en gezond weer uit het water. Prima, ze doen maar. Ga er niet tussenliggen, want je wordt gewoonweg van je sokken gezwommen. Eén van die gasten zei dan ook “je kan beter ff daar gaan liggen, dan leef je straks nog”. Dus ik opschuiven. De banen daarnaast worden alleen veel erger. Daar zwemmen kale dertigers en veertigers die een paar kilo teveel meesjouwen. Ze zijn vlot in het water maar zijn nogal chagrijnige zwemmers. Met al die dure spullen (zwembroek, brilletje, hippe handdoek, mooie tas) moet de investering het wel waard zijn dus wee je gebeente als je er tussen gaat schoolzwemmen. In plaats van een vriendelijke hint wordt je vrolijk aan de kant geduwd met een trap na.

Rechts van het midden, waar ik intussen ben beland, zwemmen de bejaarden. Knorrige oude mannetjes die op hun gemak 4 kilometer in de schoolslag doen. Met het tempo én het gedrag van olietankers ploegen ze door het water. Het gevolg? In plaats van l-vormige baantjes trek ik S-vormige baantjes door het bad. Met 40 meter per baan is het wel gezond, maar knap vervelend.

Verder opschuiven is geen optie. Dan kom ik tussen de huisvrouwen terecht. Net als ijsbergen steekt er een topje boven het water uit, terwijl de rest van de massa ergens in het badpak (model paardendeken) drijft. Behalve dan hun tempo (nog lager dan de bejaarden) zwemmen ze bovendien consequent twee aan twee, en daar wil je niet tussen terecht komen.

Ik zwem nu voorzichtig in het midden. Tot de bejaarden overleden zijn en de dertigers hun goede voornemens opgeven. Misschien heb ik dan een beetje rust in het bad.

Erwtensoep en kerstvakantie

Al een week of wat loop ik met het idee om te verhuizen. De flat die ik nu heb van de woningstichting is niet zo supergeniaal gaaf als ik had gedacht en als je er een tijdje zit, en het is winter, weet je precies waarom je ookalweer zo'n hoge gasrekening krijgt. Daarom heb ik wat reacties gekocht op Kamernet.nl, en ben ik deze avond ergens in Arnhem op een zolderverdieping gaan kijken. Of ik de kamer win is nog niet bekend (ik word morgen gebeld) maar wie weet ben ik binnenkort uit deze “dump” en kom ik in een huis waar het water niet in de gootsteen bevriest. En uiteraard is het met een paar huisgenoten een stuk gezelliger wonen!

Over wonen gesproken, een tip voor tijdens het maken van erwtensoep: wees niet slordig met het snijden van de schouderkarbonade (botten in je soep, blegh), en blijf roeren! Mijn pan kan je vertellen hoe het zit, maar het kost je een half pak soda.

Nog twee dagen en het is kerstvakantie. En ik ben er erg aan toe merk ik. Ik bedoel, ik ben knettermoe maar ik kan niet slapen. Zo'n project kost echt veel energie… nog twee weken straks en ik ben helemaal klaar. En met een beetje geluk nog een goed cijfer ook.

Tip van flip: Zet je auto niet achter mijn flat neer. De vier onverlaten die het busje van een van mijn buren jatten gisternacht zullen me tegenspreken, maar geloof ze niet!

Je bespaart er energie mee.

Vanochtend was het maarliefst negen graden in mijn douche. Dat komt, mijn flat heeft geen centrale verwarming, en het raampje stond open. Met mij romantisch samen douchen gaat ongeveer zo: Je rent in je blote niksie naar de douche (want je verlaat de enige kamer met een verwarming) en je negeert je bevroren voeten op de ijs- en ijskoude tegels. Je tikt het licht aan en je duikt het douchehokje in. Vervolgens draai je de warme kraan open. Terwijl de geiser rommelend tot leven komt sta je gezellig samen te bibberen tot het warme water begint te stromen. Vervolgens moet de koudwater stroom met chirurgische precisie gereguleerd worden om niet alsnog dood te gaan van de kou.

Als dat eenmaal gebeurd is, en je staat onder het straaltje, moet je al blauwbekkend elkaar inzepen en omstebeurt afspoelen (terwijl de ander zijn/haar bevroren tenen uit het doucheputje haalt). Uiteindelijk sta je dus een minuut of drie onder de douche, waarvan de helft in de kou náást de douche omdat de ander eronder moet. Om je na het douchen af te drogen doe je het volgende: Je droogt je rudimentair af, je sprint terug naar de enige warme kamer en je gaat je náást de gaskachel verder afdrogen. Terwijl je benen wegschroeien naast de roodgloeiende ijzertjes van het apparaat, kijk je elkaar nog eens romantisch aan.

Het heeft bij mij maar één voordeel: zie daarvoor de titel van dit stukje.