In Düsseldorf

Zo, ik ben er. Afgelopen zaterdag was ik hier al even, en zondag ben ik samen met Arjan echt overgegaan. Dat wil zeggen, we gingen allebei heen, maar RJ ging in zijn eentje ‘weer’.

Voor de mensen die het nog niet wisten; ik ben aan afstuderen. Alweer! Dit keer voor mijn Master. Om dat felbegeerde papiertje in bezit te krijgen zit ik in Düsseldorf, bij een hele grote retailer, om onderzoek te doen naar allerlei IT gerelateerde zaken. Ik zit vrij hoog in de rangen; tussen mij en de CIO zitten niet heel veel managementschijven. Dat is wel weer gaaf. Je merkt er niet heel veel van hoor, behalve als je op het intranet rondbladert. Alle “head of this department”-foto’s zijn van mensen hier op de gang.

Verder is het nu al, op dag twee, gewoon lekker werken. Ik moet aan de slag. Dat betekent inlezen, meeluisteren, plannen en werken. Voor mijn opdracht is het nu belangrijk dat ik de juiste mensen te spreken krijg, veel artikelen lees en mijn tijd hier ga indelen.

Mijn flatje is wel cool. Een beetje shabby wel, erg geleefd. Versleten hier en daar, en wat hardnekkige vlekken. Het was allemaal prima weg te poetsen, maar het was te merken dat ik niet de eerste bewoner was. Wel zit ik ideaal in het centrum, lekker hoog (met lift), en aan de achterkant, dus weinig herrie. Bovendien zit ik vlak bij het centrum. Echt om de hoek zit de Schadowstraße, een van Düsseldorf’s drukste winkelstraten, met de rest van het centrum er achteraan. Winkelen, en boodschappen doen zijn snel gedaan.

Maar ik ga maar eens aan de slag! Ik zit in mijn baas z’n tijd een beetje te bloggen, foei.

Op naar het volgende land

Inmiddels ben ik weer veilig terug in Nederland. Wennen aan het weer (de regen is koud!), alle was gedaan en nu nog even vakantie.

De vlucht van Accra (via Casablanca) was lang maar ging opvallend soepel. Ik had er een hard hoofd in toen we gingen. Systemen lagen plat, lange rijen en geen boarding pass voor de overstap naar Amsterdam. Maar de douane was verschrikkelijk soepel (lucifers mochten mee, flessen water mochten mee) en het fouilleren was een lachertje. Om je dat laatste voor te stellen klop je jezelf even met je vlakke hand op je middel, en dan op je dijbeen. Dat was het! Het ging allemaal prima dus.

De vakantie is maar kort; in september begin ik met het schrijven van mijn Master-thesis bij een bedrijf in Düsseldorf. Daarvoor ben ik nu bezig met een kamer, ik heb een nieuw pak nodig, en ik ben me aan het inlezen in het onderwerp. Voorbereiden dus. Mooi verhaal trouwens. Ik ging op de universiteit naar het International Office om nog wat dingetjes na te vragen over het gaan naar het buitenland.

De man die me ontving begon met een hele preek. Hoe durfde ik het te wagen alles wat ik kwam vragen, niet al te weten? Was ik niet naar de Wil Weg Weken (info en promotie over in het buitenland studeren) gegaan? Hoe dacht ik aan een kamer te komen? Waarom heb je je beurs nog niet geregeld? Etcetera, etcetera. Ik ging zijn kantoor uit met een vaag gevoel dat alles mislukt was met mijn thesis.

Toen ik me ging verdiepen in zijn kritiek, kwam ik er achter dat dat allemaal best wel meeviel. Het bedrijf dat ik belde voor een kamer meldde dat ik toch wel heel vroeg was (terwijl de universiteit meende dat dat nooit meer ging lukken). Een studiebeurs is een schijntje, en kost tien miljoen jaar om te regelen (dus laat maar), de opdracht is al rond en goedgekeurd en nee, ik ga mijn kamer niet onderverhuren.

Ergo, alles is geregeld. Ik vermoed dat de man van de uni normaliter alleen complete mongolen over de vloer krijgt. Een jaar van te voren beginnen met de voorbereidingen? Fuck dat! Ik begon in januari, en dat was alleen omdat het bij een groot bedrijf allemaal wat langzamer gaat. Ik heb me tot aan juni misschien drie volle dagen ingespannen om alles rond te krijgen? Vier zou veel zijn. Het hoeft allemaal niet zo veel tijd te kosten.

Maar even los van al dat gedoe, ik ben terug! Uit Ghana! Yes! Ik mis het land wel een beetje soms, zeker als ik foto’s terug kijk. Maar het is hier ook wel fijn hoor. Goede wegen! Geen corrupte politie! Niet uren onderhandelen over elke boodschap! Hoera!

Voor de mensen die ze nog niet gezien had, ik heb foto’s online gezet, en een compilatie-filmpje gemaakt. Hieronder staan de linkjes.

Voor het filmpje een waarschuwing: hij is errug groot. Mocht ie dus heel traag spelen, gebruik dan de link onder het filmpje (rechtermuis, opslaan als) en download hem eerst voor je kijkt. Je hebt QuickTime nodig.

De volgende keer dat ik een stukje schrijf, is dat waarschijnlijk vanuit Duitsland. Bis lederhosen!

De laatste week

Zoals ik al vermoedde, waren de afgelopen weken vrij “uneventfull”. Nu we in een werkritme zitten, en lekker onze gang gaan, zijn het niet meer de grote dingen die me verbazen, maar juist de kleine, en de onopvallende.

Via een van de medebewoners (Paul) van dit guest house leerden we Abraham kennen, een taxichauffeur. Hij rijdt Paul al weken van hot naar her, omdat zijn eigen auto in de garage staat. Wij schuiven hem geld toe, en hij is onze tourguide bij alles dat we willen doen.

Ik herinner me, dat we de eerste dag dat we Abraham leerde kennen (de derde dag in Sunyani) door hem midden in het centrum werden gedropt. “Dit is m’n nummer, bel maar als je naar huis wilt”. Dat lijkt niet zo’n rare gang van zaken, maar wij waren pas één keer in het centrum geweest, we hadden geen idee waar we uithingen, laat staan dat we zelf de weg naar het guest house zouden weten. We sjouwden dus maar een beetje rond, tot hij ons kwam ophalen (bij een voetbalstadion, dat was makkelijk vinden dus).

Een week later belden we hem ‘s avonds eens op. Of hij ons niet naar een leuke club ofzo kon rijden. Boeit niet welke. Kortom, wij die auto in, en rijden. Weer geen idee waar we uithingen, maar Abraham scheen het te weten en wij vonden het wel prima. Plus, we zagen andere ubruni (witjes) en dat was ons nog maar zo weinig overkomen dat we onze ogen uit keken. Het werd een leuke avond, en in mijn enthousiasme om indruk te maken op een lief Duits grietje kneusde ik best hard mijn grote teen. Kortom, dat ging hem niet worden met haar. Maar ja, boeiend, je staat in Ghana dus die mensen zie je toch nooit meer.

In het daaropvolgende weekend gingen we met onze driver, Toni, op toeristentocht in Ghana. Eerst naar briljant mooie watervallen, en daarna naar een bos waar allerlei apen een beetje de aap uit hingen uit te hangen. De ultieme toeristenattractie dus. Het mooiste van het hele verhaal was nog wel de rit er heen, en de rit terug. Ongelofelijk.

In Ghana delen ze wegen doorgaans in in drie klassen. De eersteklas wegen zijn geasfalteerd, of hebben dan in elk geval hier en daar een lapje asfalt. De tweedeklas wegen, dat zijn zandweggetjes. Van die rode Afrikaanse aarde. De derde klas, dat is alles er tussenin. Weggespoelde wegen, niet bestaande wegen, bruggen waar je uit de auto moet (anders houdt de brug het niet), allerlei van dat soort dingen. Je kan in ieder geval niet slapen in de auto. Je dreunt zo hard heen en weer dat je zeeziek wordt als je uit de auto stapt. Onze rit bestond voornamelijk uit derdeklas wegen. Het hield Toni niet tegen om er keihard overheen te scheuren.

Datzelfde weekend zijn we aantal keer gaan stappen. Die avond met Abraham, maar ook twee keer met Toni, die ik al eerder noemde. Hij nam ons mee naar onze stamkroeg (zijn favoriete muziek werd opgezet zodra hij binnenkwam), en een keer naar een of andere club.

Het mooiste was nog, Toni valt in de categorie “vies oud mannetje”. Hij zit net iets te veel aan serveersters (die dat allemaal pikken van hem), hij had beide avonden een ander grietje mee, en dat weekend bij de watervallen maakte hij onbeschaamd foto’s van mooie blanke meisjes. Gewoon door er recht voor te gaan staan, tong uit zijn mond, en dan klik klik met zijn telefoon. Tim en ik stonden er met open mond naar te kijken. Een oud mannetje bleef hij; zelfs de dinsdag na het weekend vol toeristenuitstapjes en stappen was hij nog moe. Hij moest bijkomen. Tim en ik hebben hem er goed om uitgelachen.

Dit is de laatste week, en de voorbereidingen voor een paar dagen Accra zijn in volle gang. We worden door Toni naar Accra gereden en daar nog langs allerlei toeristendingen gereden. Het hotel echter, dat bleek toch een issue te zijn.

De universiteit hier vindt het haar plicht (en terecht ook wel) om in de gehele periode dat wij in Ghana zijn voor ons te zorgen. Eten, drinken en toeristenuitstapjes en wel. De laatste drie dagen dus ook. Wij hadden echter zoiets van “ja hallo, wij gaan nog drie dagen op vakantie, dat hoeven ze niet te lappen”. Toen we aankondigden dat we al een hotel hadden waren ze in eerste instantie beledigd. “Wat? Is ons hotel te min?”, een beetje zo’n reactie. Na zorgvuldig uitleggen en toelichten ging er aan hun kant een lichtje branden dat we geen arrogante blanken waren die hun aangeboden hotel niet blieften, maar lieve bescheiden knullen zijn die uit voorzichtigheid zelf maar wat hadden geregeld.

Deze laatste dagen op de universiteit besteden we met het lesgeven in Moodle, het uitleggen van het systeem en veel Facebooken. Nog een week, en dan ben ik weer thuis!

Perspectief

In Ghana gebruiken ze de cedi. Twee cedi is een euro, ongeveer. Althans, dat is zo sinds een aantal jaar, toen de overheid besloot om de munt te ‘herevalueren’, of hoe ze het ook noemen. Duizend oude cedi is nu één nieuwe cedi. Dat scheelt nogal, briefjes van honderdduizend staan zo gek. Iedereen was miljonair, maar daar had je weinig aan.

Voor ons, als toeristen, is het land goedkoop tot spotgoedkoop. De biertjes die we ‘s avonds op de veranda drinken kopen we uit de koelkast van een barretje, verderop. Ze kosten 2 cedi, dus een euro per stuk. Duurder dan bij ons uit de supermarkt, maar het zijn gekoelde flessen van meer dan een halve liter. Dan valt het wel weer mee.

In de stad is het lastiger. Sure, de vraagprijs is nog steeds weinig, maar is het ook -Ghanees- weinig? We moeten constant vragen. Is dit veel? Is dat een goede prijs? We hebben het alleen door als ze absurde prijzen vragen. Dan zou je ineens 5 cedi moeten betalen voor een blikje cola. Right, dat betaal je in Amsterdam nog niet eens. Omlaag kletsen naar één sedi dus.

Tegelijkertijd ben je in een land waar veel armoe is. Martin, de man die ons ‘bewaakt’, verdient zo’n 80 cedi per maand. Voor dat geld moet hij zes nachtdiensten van 12 uur draaien. Als je een kraampje langs de weg draait, moet je het hebben van wat je aan klanten krijgt. Dat kan er één zijn op een hele dag. Of je hebt geen werk. Dan sta je elke dag langs de weg met je kruiwagen en je machette, je enige bezittingen. Hopen dat je ergens mag helpen met de oogst.

Taxi’s zijn ook zoiets. We betaalden de taxichauffeur 10 cedi voor een ritje naar de universiteit. Normaal zou hij 7 of 8 vragen. Maar, we hebben nu zijn telefoonnummer en hij staat voor ons klaar. Vandaag bijvoorbeeld (zaterdag) gaan we de stad in. Hij pikt ons op, en rijdt ons weer terug. Hij loopt mee naar een geldwisselkantoortje, hij draagt tassen als het moet en wacht keurig bij de taxi tot we uitgeshopt zijn. Normaal kost een taxi ritje naar de stad 40 cent per persoon. Voor het voorrijden en terugrijden zijn we 2 cedi kwijt. Geen geld dus.

Toch zijn dit vrij grote bedragen. We kochten wat biertjes voor het weekend. Een paar Star-biertjes en wat Guinness. Kostte ons twinitg cedi. Niet veel denk je, maar het is toch best wat geld. Blader maar eens terug naar het salaris van Martin.

Het blijft een vreemde zaak. Aan de ene kant raakt de armoede me niet zo. Ik kan er bar weinig aan doen in de korte tijd dat ik hier ben. Tim en ik helpen de universiteit, en dat zou op de lange termijn moeten gaan schelen. We kunnen toch moeilijk op straat geld gaan uitdelen. Want stel dat we dat doen. We gaan naar huis, het geld is op, en dan zijn ze weer terug op hun vorige niveau. Schiet niet op.

De verhalen van Martin raken me dan weer wel. Het is meteen een stuk persoonlijker. Hij heeft krap genoeg geld voor eten. De laatste dag, de dag voor hij salaris kreeg, kon hij nog net eten kopen voor zijn kinderen. Zelf eet hij dan een dag niet. Vrienden van hem eten soms dagen niet. Geen geld. Best wel schrijnend. Vandaag eet hij op onze kosten: Tim was er 6 cedi aan kwijt.

Neem ook eens het volgende voorbeeld. Tim en ik gingen geld wisselen. Niet bij een bank, die geven een klote-koers. We gaan met Martin en de taxichauffeur mee. Straatje in, dan een steegje in, doorsteken naar een nog kleiner steegje.. We staan op een zanderig kruisinkje. Om ons heen lopen verbaasde Ghanezen. Geiten en kippen scharrelen rond. Kinderen kijken vreemd op naar de “ubruni” die hun wijk in sjouwen. We komen bij een kerel die voor ons kan wisselen. Eerst komt er een lang verhaal over alle koersen. De dollar, de pond, de euro. Onze taxichauffeur (die ook bij ons op de rol staat) lult een goede prijs voor onze dure euro’s. We leveren wat geld in, en krijgen een hand vieze briefjes terug. Pas als we terug zijn in de stad staan we er bij stil: we hebben bijna drie van Martins maandsalarissen gewisseld, en we keken erbij alsof we een biertje bestelden.

Dat allemaal maakt het wel lastig om hier “rijk” te zijn. Als blanke mannen zijn we feitelijk wandelende zakken met geld. Met de salarissen hier in Ghana, is dat eigenlijk ook zo. Maar Martin kunnen we niet zomaar betalen voor zijn extra tijd. Het is zijn eer te na om maar zomaar overal geld voor te vragen. Hij is tevreden met een biertje. We zouden hem beledigen door hem te betalen. Immers, betaal je je vrienden als ze met je gaan shoppen? Plus, de slippers die Tim zag liggen zouden hem een half maandsalaris kosten. Dan wrijf je het er wel heel erg in.

Wat we er mee aan moeten weet ik nog niet. Martin en zijn geld laat ik nog even rusten. Misschien koop ik aan het eind een grote zak rijst voor hem. Iets nuttigs. Idem voor Rita, het meisje dat voor ons kookt en wast.

Normaal gesproken sluit ik dit soort stukjes af met een “uitsmijter”. Een geintje, iets om over na te denken of gewoon een zin om het verhaal af te ronden. Nu komt er even niets in me op.

Toeristen

Sinds eergisteren zijn onze weekenden goed gevuld.

Onze driver, Toni, kwam op een samenzweerderige toon naar ons toe. “Jullie moeten vragen of je naar het National Park mag. En naar de forten, aan de kust. En naar het monastry. Maar zeg niet dat het mijn idee was!”

Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging naar father Peter toe, om eens te vragen wat mogelijk zou zijn. Natuurlijk, we wilden niet zomaar op hun kosten van alles en nog wat ondernemen, maar we zouden het erg relax vinden als iemand ons naar [hier een lijst met toeristische dingen] zou kunnen rijden. Iemand die de weg weet? De omgeving kent? We kunnen er voor betalen, als we er maar zijn.

Natuurlijk was dat geen probleem. Er moest iemand geregeld worden, en de Dean van de universiteit moest nog wel akkoord gaan. Maar misschien kunnen jullie met jullie huidige chauffeur, Toni, op pad? Waarschijnlijk kan het busje zelfs mee. Eerst moet er toestemming komen natuurlijk, en het moest gepland worden, maar hij kon dat vast wel regelen. Wat slim bedacht van je, Sander!

Ja ja, zo ben ik. Eén en al slimmigheid. Plus natuurlijk wat ingefluisterde namen en plaatsen door Toni. Die is ook niet gek, die gaat graag een weekendje met ons de hort op. Hij wordt nog betaald ook.

Ik heb geen idee wanneer je dit gaat lezen, maar het zal ergens tegen het weekend zijn. Dat betekent dat ik nog maar een dag of twee hoef te wachten tot ik naar weet ik veel waar wordt gereden. Ik zal wel Twitteren als ik meer weet, ik heb het niet allemaal onthouden.

Ondertussen gaat het werk hier zijn gangetje, zoals ik al verwachtte. Traag maar goed. We hebben nu Moodle (zo heet het systeem) up en running, en we gaan nu studenten onderwijzen hoe ze opdrachten en tests moeten maken, documenten kunnen downloaden en hun cijfers kunnen checken. Daarna zijn de docenten aan de beurt, maar die krijgen een meer uitgebreide tutorial. Ze moeten cursussen kunnen aanmaken, studenten kunnen toevoegen, cijfers uitdelen… Noem maar op. Ik ben benieuwd of het ze allemaal gaat lukken.

Het weer is goed. Het is meestal warmer dan vijfentwintig graden, en het klinkt constant alsof ik in de Burger’s Bush ben. De zon schijnt niet altijd, dus ik zal wel niet bruin terug komen. Maar dat is maar goed ook, want zodra de zon doorbreekt is het direct 30 graden in de schaduw.

De universiteit

Het vervolg van mijn blogpost van gisteren:

Na een ritje van een kwartiertje kwamen we aan op de universiteit. Die ligt best afgelegen, een hobbelige rit tussen de rietsuikervelden door. De afstand van ons huis is zo’n vier kilometer. Je raadt het al.. We moeten omrijden, en langzaam rijden om er te komen. Anders doe je niet vijftien minuten over vier kilometer.

We waren er om een uur of negen. Eerst de dean van de universiteit ontmoeten, handje schudden, en vervolgens ons contactpersoon, father Peter ontmoeten. Althans, als hij er zou zijn. Hij zou komen. Over een uur? Twee uur? Ondertussen sjouwden Tim en ik maar een rondje over de uni. Ik heb de tijd genomen voor wat foto’s. Wat moest ik anders?

Halverwege het wachten vonden we de systeembeheerder. Hij liet ons het serverhokje zien, en hielp ons met het inrichten van een computer voor onze opdracht. Het installeren van de software ging niet heel soepel, maar het werkte redelijk. Die koekert trok halverwege de installatie de netwekkabel er uit. “Yes I needed it”. Een diepe zucht van ons.

De rest van de dag verliep traag maar soepel. Wij installeerden allerlei dingen, en schreven een opdrachtje voor de studenten, terwijl om ons heen de universiteit zijn gangetje ging.

Lunch was ook een avontuur. We liepen om kwart over twaalf met onze driver mee. Op naar het restaurantje. Dat was maar 500 meter verderop, maar we gingen rijden. We werden aan een tafel geplaatst, we wachtten, en… Geen lunch! Ok, dus wij weer in de auto (waarom er geen lunch was, was ons een raadsel). Terug naar de uni. Daar liepen we een poosje rond, op zoek naar één van de security dudes die scheen te weten hoe het zat met onze lunch. Na een kwartier zoeken hadden we hem te pakken. Er stond inderdaad een lunch voor ons klaar. In een achterafhokje twee warmhoudbakjes. De tijd? 13:00, drie kwartier nadat we startten met onze zoektocht. De meeste dingen gaan hier op zo’n tempo.

Die middag viel de stroom nog een keer uit. Bots, alles plat, en twee noodstroom-units die druk begonnen te piepen en te doen. Wij konden niets zonder onze server, dus we wachtten maar weer.

Aan het eind van de middag reden we terug. Aangekomen thuis liep onze schoonmaakster/kok/wasvrouw er rond, samen met haar moeder en haar twee kinderen. Die kinderen waren awesome. Eerst verlegen, maar daarna druk! Druk! Tim en ik hebben gegruweld en gelachen om die twee. Rondrennen, kauwgompje laten vallen, hups weer opeten, druk Ghanees/Engels tegen ons kletsen, het ging maar door. Wij kletsten Nederlands en Engels terug. Wel weer leuk. Het oudste meisje, drie, rende de poort uit. Broertje er achteraan. Ik naar de poort, vinger knippen en roepen, “come, back inside”. Meteen terug. Goed opgevoed ^^.

Het avondeten was anders dan anders. Ze had frietjes gebakken in een pan, visje erbij, en een lepel sla. Dat visje was letterlijk, een vis. Vijftien centimeter lang, met alle organen er nog op en nog aan. Nom nom nom! Het was puzzelen om daar de vis tussenuit te pulken, zonder alle graten mee te nemen. Van helpen afwassen wilde ze niets weten, dus we gingen maar op de veranda hangen, wachten op Martin, onze security guard. De kids renden ondertussen vrolijk rond.

De avond is inmiddels alweer voorbij. Hierboven beschreef ik de maandag, het is dinsdag als ik dit schrijf en waarschijnlijk alweer woensdag voor het online komt. Zodirect ga ik naar de universiteit. Nu we de eerste dag hebben gehad zal het wel routine worden. Maar als ik iets bijzonders meemaak, zal ik het bloggen!

Oh, en voor ik het vergeet. We hebben de security guard gestrikt voor een dagje Sunyani met ons. Kan-ie mooi al onze vragen beantwoorden. Vooral Tim weet hem goed uit te horen over alles in Ghana.

Sunyani

Als ik dit schrijf is het maandagavond, een uur of zeven en hebben we zojuist de eerste echte, volledige dag er op zitten. Samen met Tim ben ik gisteren, aan het eind van de middag met de bus hier aangekomen. Mijn zusje meldde achteraf nog: “met Google Maps is het anderhalf uur”, maar we waren ruim zes uur onderweg.

Niet zo gek ook. We zaten in een propvol aftands busje, vol bagage en mensen. We reden niet bijster hard, want de wegen (als ze al verhard zijn) zitten vol met kuilen, tot twintig centimeter diep. Sommige wegen zijn meer van hier en daar een plakje asfalt, met zand er omheen. Stijgingen en dalingen van meer dan tien procent komen vaak voor, en het verkeer is om gek van te worden. Iedereen rijdt maar wat, van links naar rechts in de meest aftandse auto’s, zonder velgen, bumbers, voorruiten of lampen. Hotseknots, de motor doet het, gas er op! Maar zelfs als de motor rommelt, piept, of grote wolken zwarte rook uitblaast wordt er nog gewoon mee gereden. Door de assen heen gezakt? Meh, schuine wielen hebben meer grip!

Tussen al dat verkeer kom je ook nog vrachtauto’s tegen. Wat ooit de trots van DAF was rijdt hier, totaal opgereden, nog steeds rond. Vaak nog met de originele bestickering er nog op. We zagen auto’s uit Engeland, Duitsland en ook uit Nederland. Hatsa, Ghanees kenteken er op en gaan. En vervolgens zo volproppen dat ze met krap twintig kilometer per uur de heuvel op komen. Dat vertraagt de boel nogal.

Mocht je uit de bocht vliegen: kan gebeuren. Sjouw de spullen naar een nieuwe truck en laat het oude barrel staan. Ondernemende buren slepen het ding wel weg. Ook als ie midden op de weg staat, en zeker als je er iemands tuin mee bent ingereden. Uitstappen, uitladen, en door met die spullen. Ze zullen zichzelf niet bezorgen toch?

De omgeving is gelukkig wel prachtig, en tijd genoeg om er naar te kijken. Oerwoud, bossen, plantages. Vanalles kwam voorbij. De steden zijn niet veel soeps. Druk, vies en overal mensen. Maar het landschap, woei. Ik heb er van genoten. Ik zal er foto’s van posten!

Maargoed, terug naar de dag. Eenmaal aangekomen bij ons guesthouse werden we opgewacht door een meisje dat voor ons zou koken, schoonmaken en wassen. We werden gelijk aan tafel gedirigeerd voor een bord spagetti. Ze deed de afwas, en van hulp wilde ze niets weten. Ze deed bijna beledigd. “Dat kan ik zelf wel!”. Nadat zij wegging werden we vergezeld door Martin, die van zes tot zes de boel in de gaten houdt. En hij doet zijn werk goed. Wij gingen bier drinken, en hij liep braaf achter ons aan. Martin overigens, is hier zes nachten per week. Hij verdient ongeveer 45 euro per maand.

De wijk om ons heen is arm. Praktisch krotten. Mensen wonen droog, en schoon, maar dat is het wel. Ze tappen stiekem water bij het kraantje binnen onze ommuurde tuin. De eerste keer zag ik een jochie van amper zeven jaar met een emmer van tien liter water weglopen en ik dacht “oy, terug met dat water”. Toen werd ik wel een beetje boos op mezelf. Om dáár nou een punt van te maken? Er staan een paar mooie huizen in de omgeving. Ze zijn van belangrijke hotemetoten van de overheid, of gewoon van rijke Ghanezen. Net als bij ons huis staan er dikke muren omheen.

Na het eten, en een redelijke nachtrust (de geluiden hier ‘s nachts zijn niet bepaald in de categorie “toeterende auto’s”) zijn we door onze driver (ja, echt) opgehaald om naar de universiteit te gaan. Uiteraard niet voordat we een ontbijt voorgeschoteld kregen. Maar daar zal ik een ander blogje aan wijden, want anders wordt dit wel een heul erg lang verhaal.

Aangekomen in Ghana

Dit blogje schreef ik eergisteren, maar bij gebrek aan internet kon ik het niet posten:

Holy shit, wat een awesome, drukke, vermoeiende, lange en enge dag heb ik achter de rug!

Het begon vredig genoeg. Ik ging langs mijn moeder om een briefje achter te laten dat ik weg ging. Ze zou niet thuis zijn. Tot mijn blije verbazing kwam ze net aanrijden toen ik weg wilde gaan. Toch nog ff kunnen kletsen, zakgeld scoren en doei kunnen zeggen. Erg fijn :).

Die middag kwam Tim me oppikken. Samen met zijn broertje en z’n vriendin naar Schiphol. Inchecken, en gaan!

De eerste vlucht verliep goed. Het eten was niet te beren, en we hadden dikke vertraging, maar dankzij een ruime overstap, geen probleem! Uiteraard begon toen Het Lange Wachten. Vijf uur in een doodsaaie hal. Dat is dan weer het nadeel van een ruime overstap. Zit je daar, in de saaiste terminal ter wereld. Op een gegeven moment mochten we ons vliegtuig in. Eindelijk!

Je staat er van te kijken wat een shitload aan troep onze medereizigers meenamen. Niks “één stuk handbagage”. Complete koffers, tassen, boodschappentassen en meer van die dingen werden in de overheads gepropt. Allemaal een kind op schoot, en gaan. Het vliegtuig zat bommetje vol. Gelukkig was het eten goed en heb ik vooral geslapen. Ik merkte het niet eens toen Tim mijn tray met eten weer weghaalde.

De douane bij Accra is een drama. Het kostte ons twee uur om er doorheen te komen. Eerst moesten we een formuliertje invullen en dik een half uur wachten om de eerste hindernis te nemen. Vervolgens koffers halen in een klein halletje propvol mensen. Ook hier, veel mensen met gigantische pakken bagage. Vervolgens weer in de rij voor nog een paspoortcontrole. Daarna nog een keer in de rij voor de paspoortcontrole, en een check of onze koffers wel die van ons waren. We landden om half vijf en rond kwart over zes waren we pas buiten.

We werden opgepikt door mensen van de uni en naar ons hotel gebracht. Eenmaal daar hebben we ff een dutje gedaan en ontbeten. We werden op onze wenken bediend, met alles dat we deden.

Vervolgens namen we een taxi het centrum in. Accra is een grote, volle en drukke stad. Het is één grote markt. Overal mensen die shit verkochten, van zakjes met water, tot vis, tot levende slakken, zo groot als je vuist. Ik moet bekennen, ik voelde me er niet heel erg op m’n gemak. Tim en ik waren de enige blanken dus we trokken nogal de aandacht. We liepen richting het strand, toen we werden aangesproken door twee dudes. Nee, we konden wel meelopen naar het strand, “the world is love, Ghana is the best”, en meer van die bla-bla. We kwamen steeds verder van de hoofdwegen af en (dat dan weer wel), uiteindelijk bij een rots die over de zee uit keek. Mooi om te zien, maar we stonden een meter of 600 op een of ander veldje tussen de krottenwoningen. Niet de meest fijne plek om te staan. Kinderen en volwassenen zochten in het veldje om ons heen ongegeneerd een plekje om eens ff lekker te gaan zitten kakken.

Toen de heren ons nog uitnodigden om mee te gaan naar de een of andere markt heb ik het aanbod maar afgeslagen. Het werd me iets te opdringerig. Gauw terug de drukte in. Langs open riolen (een meter diep, een ongelofelijke stank en veel maden, poep en andere rotzooi). Langs vrouwtjes van 1.50m hoog met een toren van twee meter aan spullen op hun hoofd. Langs zwervers, bewakers, kraampjes, winkeltjes, bedelaars, verminkte mensen en spelende kinderen. Heel veel indrukken, heel veel drukte, maar voor mijn gevoel dan tenminste “veilig”.

Uiteindelijk hebben we drie uur door de hitte gesjouwd, en kwamen we nooit een straatje tegen waar minder dan honderd mensen op straat liepen te venten, te kopen, te schreeuwen of te leven. Toen hadden we er allebei genoeg van en hebben we een taxi gepakt naar het hotel.

Het is nu een uur of vier in de middag. We hebben nog wat geslapen (ik iig, Tim heeft zijn eigen kamer), ik heb wat liggen lezen en wat foto’s gemaakt. In de stad durfde ik het ding niet eens tevoorschijn te halen. Morgenochtend gaan we naar Sunyani. Hoe we de avond vullen weet ik nog niet. Als het eenmaal donker is ga ik niet graag de deur uit. Maar nu, de schijnt volop, het is iets van dertig graden, en ik vermaak me door hagedissen op de foto te zetten. Zo lang als je onderarm en vliegensvlug. Leuke uitdaging :D

Ghana

Als je dit leest, zit ik in het vliegtuig naar Ghana. Eerst naar Casablanca (een vlucht van 2,5 uur) en dan door naar Accra (een vlucht van 3,5 uur). De overstaptijd is vijf uur, dus tijd genoeg om het vliegveld te verkennen.

Ik kom op 16 augustus weer terug, middels dezelfde route. De overstap is dan wel korter.

Samen met Tim ga ik naar de Catholic University of Ghana, een “college university” in Sunyani. Daar gaan we de staf helpen met het opzetten van een nieuw studentenregistratiesysteem, een beetje zoals Blackboard (dat sommigen van jullie wel kennen). Binnen zo’n systeem heeft elke student een account, waarmee ze de stof kunnen lezen, opdrachten kunnen maken (en inleveren) en aankondigingen van de docent kunnen bekijken. Daarmee hoopt men dat het inleveren van werk makkelijker zal zijn en er minder tijd kwijtgeraakt wordt met bijvoorbeeld het printen van documenten. Voor alle studenten die ze hebben, is er één printer. Met af en toe papier, als de inkt niet op is.

De uitdaging zit hem in de locatie (we zitten praktisch in de rimboe) en de voorzieningen. We nemen alle software mee op een USB stick, we hebben nauwelijks internet en of we kunnen douchen, wordt een gokje.

Apart trouwens, hoe gul de universiteit leek voor we zouden gaan. €500,- subsidie, een deel van de universiteit zelf, en nog een bescheiden losse bijdrage van de faculteit. De tickets erheen zijn €700,- euro, dus dat lijkt een goedkope vakantie toch? Nou, nee. Ik had de subsidie er al doorheen gejaagd vòòr ik überhaupt een ticket kon boeken. Injecties tegen van alles en nog wat, pillen tegen malaria, bacteriedodende handgel, anti-diarree pillen, muggenspul met deet, het kon allemaal niet op aan voorbereidingen.

Eén uitgave kon ik echter mee leiden. Een halve universiteitssubsidie (ja, ik denk tegenwoordig in die eenheid) voor een hotel gedurende de laatste dagen dat we in Ghana zijn. Met privéstrand, een zwembad (ja, drie meter van het strand) en meer van die achterlijk luxe hebbedingetjes.

Voor ik daar van kan gaan genieten moet ik drie weken aanpezen. Software installeren, college geven en natuurlijk, hopen dat alles goed afloopt ;-).

Ontwikkelingshulp anno nu

Af en toe kom je ze nog tegen. De echte digibeten. Echte alpha’s, mensen die niks hebben met wiskunde, natuurkunde, computers of überhaupt maar met sommetjes in het algemeen. Daar is niks mis mee. Het woord digibeet klinkt misschien een beetje vervelend, maar het is natuurlijk lief bedoeld. Immers, die zitten er ook bij.

Vandaag trof ik er echter eentje waar ik echt de kriebels van kreeg. Brrrr!

Van de zomer ga ik naar Ghana. Drie weken, een project voor de universiteit, om daar te helpen met computers. Nou krijgen we tot die tijd college van een vrouwtje van (volgens mij) de sociale faculteit. Lief mens hoor, vast, maar ik kan haar echt niet meer serieus nemen.

Dat begon een paar weken geleden. Een college over “lokale kennis”. Dat is het verschijnsel dat mensen nou eenmaal veel weten van hun land, hun omgeving, en de mensen die er wonen. Nou is dat al niet bepaald rocket surgery, maar zoals zij het vertelde… Ik kreeg weer helemaal beelden van die arme Afrikaanse negertjes waar wij oh-zo goed bedoeld onze melkplas dumpten in de vorm van melkpoeder. Van die zielige oedeembuikjes die wij denken een plezier te doen met onze afgedankte Wibra-broeken. Ik kreeg van haar sterk de indruk dat ze Afrika ziet als één grote Hoekele-Boekele stam die bloot rondloopt en in rieten hutjes leeft.

Het is niet zo heel gek dat als je ergens woont (een generatie of acht miljoen), dat je dan verstand hebt van het land waar je leeft. Je staat niet meer gek te kijken van een regenseizoen. Bovendien heb je dan echt wel in de smiezen wanneer het handig is om gewassen te planten, welke slangen je niet moet pesten met een stok, en hoe je met het beste met elkaar kan gaan zodat alles een beetje vredig blijft.

Als je daar over nadenkt, geldt dat natuurlijk voor iedereen. In Afrika, in Azië, maar ook gewoon in ons koude kikkerlandje. Ik ben in elk geval niet zo gek om in de winter in een korte broek de deur uit te gaan. Ik wéét dat het dan steenkoud is. Bovendien rijden de treinen toch niet als het sneeuwt. Ik ken de openingstijden van mijn lokale Albert Heijn uit mijn hoofd, ik kan zwervers vriendelijk doch dringend afslaan, en ik weet dat het niet heel handig is om “wollah jongeh, doe mij een hijsje!” naar een willekeurige capuchonscooter te roepen. Is dat niet ook gewoon “lokale kennis”, opgedaan door “de lokale bevolking”? Sure, het is niet zo down-to-earth als in een ontwikkelingsland maar feitelijk niet anders dan haar Afrikaanse voorbeelden.

Daar moest ik dus al even van bijkomen, want terwijl ik me dit bovenstaande zat te bedenken, zat deze mevrouw door te emmeren over de “indigenous people” en hoe knap het was dat ze in het goede jaargetijde de zoetste knollen uit de grond wisten te graven. Nou, gefeliciteerd. Zet mij een paar jaar in West-Afrika, en dan lukt me dat ook wel. Andersom trouwens ook. Het handjevol Afrikanen dat hier op de universiteit rondloopt weet doorgaans beter hoe laat lijn 10 rijdt dan ik.

Terug naar vandaag. Een college over ICT en onderwijs. Over hoe ICT het onderwijs kan helpen en zulks. Dat begon al met zulke kritische vragen (van haar) als: “wat heb je aan ICT als je zes kilometer moet lopen voor water?”. Nou, ik weet het niet, maar ik beweer ook niet dat je dan wat aan ICT hebt. Ah fijn, ze begon ons te vragen naar onze computerkunde, respectievelijk op de basisschool, de middelbare school en daarna. Ik was zo stom om te vertellen dat ik op de basisschool al zat te programmeren achter een oude (maar toen hagelnieuwe) 486.

Daar kon ze al niet met de pet bij. Dat kinderen dat voor hun lol deden. Ze ging er verder niet op in, dus ik dacht dat ik goed zat. Tot ze bijgekomen was van mijn antwoord, want toen begon ze met een onschuldige vraag aan de groep: “dat doen ze toch niet meer hè? Kinderen leren programmeren op school?”. Iedereen antwoordde ontkennend, en dat was maar goed ook. Er volgde een heel verhaal over dat dat maar onzin was, bla-die-bla, terwijl ze in één adem zei dat ze toch wel graag zou zien dat alle kinderen tienvingerig leerde typen op school. Ik wilde nog opperen dat ze eerst maar eens moesten leren spellen, maar ik zei maar even niks.

Door naar de social media, of zoals zij het noemde “zosjal miedie-ja”. De enige jongen in de klas die niks met Facebook had werd de hemel ingeprezen. Fair enough. Vervolgens kwam er een hele anekdote over hoe zij samen met drie docenten in een collegezaal, de enige was zonder Hyves. “Hah!”, riep ze gekscherend, “we waren de enige zonder vrienden!”. Ook nu hield ik wijselijk mijn mond maar dicht.

Na de pauze ben ik niet teruggekeerd. Niet omdat ze, ongehinderd door enige vorm van kennis, zo over computers stond te kletsen, nee. Daar kan ik wel tegen. Dat zie ik vaker. Maar dat hele Afrika-verhaal? Ze was bloedserieus! Ze gaat al jaren naar allerlei Afrikaanse landen, om ontwikkelingshulp te geven! Denkt ze echt zo over de bevolking daar?

Ik vind het ineens niet vreemd dat onze ontwikkelingshulp daar bar weinig bijdraagt. Ze zien ons aankomen zeg. Dan hoop ik toch dat Tim en ik het beter gaan doen straks.